Preek Maleachi 1:6-14 (Maleachi – deel 2)

Print Friendly, PDF & Email

Preek Maleachi 1:6-14 – Maleachi – deel 2
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Opeinde, 18.11.2018 

Deze preek is tevens gehouden te Amersfoort, Assen, Bedum, Emmen, Lansingerland, Lutten

Liturgie

Morgendienst

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 24:1
  • Tien Woorden
  • Psalm 24:2,3,4,5
  • Gebed
  • Psalm 50:1,2,3
  • Lezen
    • Leviticus 22:17-25
    • Romeinen 12:1-2
    • Hebreeën 13:15-16
    • Psalm 50:4,5,6,7
  • Tekst MALEACHI 1:6-14
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 50:8,9,10,11
  • Gebed
  • Dienst der offeranden
  • Psalm 117
  • Zegen

Middagdienst

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 148:1,2,3
  • Gebed
  • Psalm 50:1,2,3
  • Lezen
    • Leviticus 22:18-25
    • Romeinen 12:1-2
    • Hebreeën 13:15-16
    • Psalm 50:4,5,6,7
  • Tekst MALEACHI 1:6-14
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 50:8,9,10,11
  • GelBel Nicea
  • Psalm 148:4,5
  • Gebed
  • Dienst der offeranden
  • Psalm 117
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus, 

Ik weet niet of u ook iemand bent die van tellen houdt. Sommige mensen hebben dat heel sterk. Kinderen zitten in de auto op de snelweg en doen niets anders dan vrachtwagens tellen, of wat anders. Zitten in de kerk en kijken naar boven, tellen lampjes …  

Je kunt ook in ónze tekst tellen. Want het is opvallend dat zeuven keer -en straks in het tweede gedeelte van het gesprek nog een aantal keren- maar hier zeuven keer, de woorden voorkomen, ‘de HEERE van de legermachten’.  

Maleachi moet dat zó vaak herhalen. Want vergeet niet, hij als profeet moet zich richten met harde woorden, tot de belangrijkste mensen in Judea op dat moment. Hij moet ze heel nadrukkelijk de harde waarheid vertellen. En juist als hij dus tot zeuven keer toe daarbij zegt: ‘zegt de HEERE van de legermachten’, kan niemand van de priesters om wie het gaat, er onderuit.  

Het is de almachtige HEERE Zélf die hen zo aanspreekt. Het is maar niet Maleachi die met zíjn verhaal komt. Nee, ‘de HEERE van de legermachten’. 

En daarom wil ik u het Woord van de HEERE bedienen onder het thema 

De HEERE van de legermachten geeft de priesters ervan langs  

HIJ spreekt: 

1) voor MIJ alle eer 

2) maar jullie minachten Mij  

3) anderen zullen MIJ eren  

1) Denk nog even terug aan dat eerste gesprek. Daarin laat de Heere weten van,  
    ‘werkelijk Mijn volk, Ik geef honderd procent om jullie, Ik heb jullie lief. Ik ben trouw, Ik doe wat Ik beloof’. Waarom zegt de Heere dat? Om uit te komen bij, ‘en daarom, erken Mij dan ook als zodanig, éér Mij daarom!’  

En dan het tweede gesprek. Een zoon, een slaaf, ja, die eren, hun vader, hun heer, of hun meester. Als ze dat niet doen, ja dat is eigenlijk onbestaanbaar.  

Wat is nu iemand eren? Iemand eren, dat is iemand als belangrijk behandelen. Dat is ontzag voor iemand hebben, respect bewijzen, eerbied. Maar ook: gehoorzaam zijn.  

Nou, daar zijn de priesters die de eerste zinnen van Maleachi horen het gloeiend mee eens. ‘Zo is het Maleachi! Dat heb je goed gezegd.’  

En dan komt daar achteraan toch iets als een dreun. ‘Ik de HEERE, ben Vader. Ik heb dus ábsoluut gezag over jullie. Ik ben Heer en Meester over jullie en het enige wat jullie dus te doen staat dat is luisteren. MAAR…’, en dan komt het, ‘máár waar is dan de eerbied voor Mij? Wat zie Ik daar dan van? Dat jullie Mij op de eerste plaats hebben? Waar kan Ik aan constateren dat jullie Mij hooghouden en Mij gehoorzaam zijn? Waar is dan de vrees, het ontzag, het respect voor Mij? Waar kan ik dat aan zien, dat jullie alléén maar gaan voor wat Ík wil? Waar blijkt dat uit, priesters? Dat jullie je voor honderd procent inzetten in Míjn dienst? En helemaal leven vanuit dat wonder van de verzoening, hier in de tempel. Waar alles spreekt van MIJ.’  

Het zijn heel radicale woorden. Want dan zegt de HEERE, in de tempel waar alles spreekt van Mij: ‘jullie priesters, jullie verachten, jullie minachten Mijn Naam of Mij.’  

En je kunt het je een klein beetje indenken, dat ze verdwaasd dit staan aan te horen. ‘Maar, maar Maleachi, hoezo? Waar heb je het eigenlijk over?’ Zij, vertegenwoordigers van God bij het volk. Ze doen toch elke dag, dat is toch hun werk, daar zijn ze toch druk mee bezig, ze doen toch verzoening over de zonden van het volk? En als de mensen weggaan, dan heeft daar toch die priester met de handen omhoog gestaan en ze zijn gezegend. 

En ze zijn toch de vertegenwoordigers van het volk bij God? Ze zijn toch druk met het slachten en het opbranden van de offers? Dus, ‘hoezo Maleachi? Wat bedoel je daarmee, dat wij minachten, dat wij niet eren? Het loopt toch allemaal gesmeerd hier? Het gaat keurig op tijd, het morgenoffer, het avondoffer, op het goeie moment zingen wij:  ‘want Uw goedertierenheid, zal bestaan in eeuwigheid’. We houden ons toch stipt aan wat U, HEERE beveelt? We volgen toch precies de liturgie zoals die voorgeschreven is? Hoe zo dan, minachting?’  

En toch, ‘jullie minachten Mijn werk en Mij’.  

Blijkbaar kan dat. Op een bepaalde manier met de dingen van de HEERE bezig zijn, maar dan te horen krijgen dat het van geen kant deugt. Misschien herkent u daar iets van. Je kunt thuis dat vaste stramien hebben van: lezen, bidden, zingen. Maar, puur als een verplicht nummer. Je kunt dat doen zonder dat je denken, daar echt bij betrokken is, zonder dat je er zelf bij betrokken bent.  

Een dominee is in staat om de Schriftlezing te doen, terwijl hij ondertussen de tafel van 12 op zegt in zijn hoofd. Want Hij heeft al zo vaak gelezen en hij leest zo makkelijk, ja dat lukt wel. Maar hoort hij dan, spreekt hij dan met eerbied het Woord van de HEERE?  

En thuis, hoe gaat dat? Is daar elke keer weer, het ontzag en het respect?  

Is het de vorm of is het de inhoud? Er zijn allerlei situaties waarin je erachter komt, ja maar dit is toch niet, wat de HEERE bedoelt met: eren en ontzag hebben.  

2) Want de Heere zegt nadrukkelijk, en dat is het tweede punt, ‘Maar jullie minachten MIJ. Jullie brengen onrein brood, onrein voedsel, jullie brengen een onrein offer op mijn altaar.’ Nou als er één ding duidelijk was vanuit de Schriftlezing, in Leviticus 22, dan was het wel het punt, daar mocht niks aan ontbreken! Geen gebrek, dat moest een geweldig, keurig, goed, offer zijn.  

En – ja, dat ging ook gewoon, dat vader tegen de kinderen zei: “ga je mee, we gaan even naar de schapen toe, want we willen volgende week de HEERE een offer brengen en dan gaan we nu een schaapje uitzoeken”.  

Nou kinderen mochten mee en dan gingen ze kijken van, welk schaap gaan we nu de HEERE aanbieden? Die? Ja, dat is een mooi schaap. Ja maar, zei vader dan: ‘zie je dat oogje wel, dat oogje dat ettert, dat kunnen we de HEERE niet aanbieden. Nee, daar zit wat aan, dat is een gebrek.’  

Maar die dan? Ja maar, zie je dan niet dat die kreupel loopt, notabene. Je kunt, je mág de HEERE toch geen kreupel dier aanbieden?’ Zo ging dat en op een bepaald moment kwam vader, ‘en dit schaap, dát gaan we de HEERE als offer aanbieden, daar mankeert niks aan. En alleen wat góed is, dat is voor de HEERE geschikt. Zonder gebrek, met aandacht uitgekozen.’  

Want, dat zit erachter, want elk offer verwees immers naar HÉT offer, de Heere, Jezus Christus.  

Die priesters die hebben dáár niks mee, van, alleen het beste is goed genoeg. Nee, misschien zeggen ze dat nog wel tegen de mensen. Hoewel, ook dat is nog de vraag in deze situatie. Maar eigenlijk vinden ze, dat dat altaar en die offerdienst, dat dat zo weinig voorstelt, dat je er mee kunt doen wat je zelf wilt. Wat er geofferd wordt, wat maakt dat uit. Als er maar een goed stuk vlees aan zit. Want die gelofte-offers, daar mocht je dan, al daar iets van geofferd was, een deel, dan mocht je rest van eten gaan.  

Dus, een blind dier, het vlees daarvan kan toch wel goed zijn? En een kreupel dier, nou lekker hoor, daar proef je niks van, dat dat kreupel geweest is. Dat heeft geen invloed op de smaak. En ziek, nou ja ziek, je moet geen ziek dier in die kudde hebben lopen, want misschien wordt een ander dier daar ook nog wel ziek van. Maar dat kun je toch altijd wel als offer doen?  

‘Dat is niet erg’, zeggen zij.  

En de HEERE zegt: ‘dat is verschrikkelijk erg! Het moet het beste zijn’.  

Zo leeft de HEERE met Zijn volk in het verbond. De HEERE Die van Zijn kant, áltijd weer het beste voor heeft voor Zijn volk. Die zegt tegen Zijn volk: ‘en kom nu ook met het beste dat Ik aan jullie geef, naar Mij terug’. 

In een verbond, denk bijvoorbeeld maar aan een huwelijk, een huwelijksjubileum. Als je mekaar dan uit dankbaarheid iets geeft, dan kom je toch aan met iets van goud of met zilver, maar niet met een plastic ketting van €2 of een koekenpan. Het moet van WAARDE zijn.  

Het is zó belangrijk hóe je naar de tempel toegaat. Het is zó belangrijk met welke instelling je de HEERE een offer brengt.  

Eerbied. En één van de dingen die best moeilijk kunnen zijn in déze tijd, dat is om kinderen eerbied bij te brengen. Juist voor kerkmensen is dat zó belangrijk. In de wereld om ons heen kun je soms tegenkomen dat er van eerbied geen enkele sprake meer is. En dan zul je duidelijk moeten maken thuis, ‘ja, maar thuis gaat het anders’. En naar andere mensen toe ook, en helemaal naar mensen toe aan wie de HEERE een bepaald ambt gegeven heeft. En helemáál eerbied, als het gaat om de HEERE. 

Eerbied met een stuk nederigheid. Vol verwondering. De HEERE, Hij is God, Hij alléén. Almachtig, verheven, groots! Hoe zou je ‘vlotjes’ met hem om kunnen gaan. En zonder eerbied.  

Maleachi gebruikt dan een voorbeeld, ‘doe dat nou eens in de richting van je stadhouder.’ Israël, dat Judea was toen niet zelfstandig, de Perzen die hadden het daar allemaal voor het zeggen. Dus de Perzische koning woonde een heel eind weg. Die had daar een stadhouder neergezet en die was daar de baas, de belangrijkste man. 

‘Dacht je nou werkelijk’, laat de HEERE Maleachi zeggen, ‘dachten jullie nou werkelijk dat je zo’n man kunt behandelen op een manier zoals je dat Mij doet? Zoiets van ‘alstublieft meneer, hier hebt u een cadeau van ons en je geeft hem -hij kan er misschien wel een jas van laten maken- je geeft hem een zak vol vodden. Denk je dat hij zo’n geschenk accepteert? Dan is het toch heel simpel ‘lijfwacht, pak die lui aan’.  

En de HEERE van de legermachten, Die laat weten, dat Hij, Die veel hoger is dan die stadhouder, dat Hij ook veel heftiger zal reageren dan die stadhouder. 

Leven in het verbond, broeders en zusters, dat mocht bestaan dankzij het wonder van de tempel, heel kort gezegd. Dankzij dat wonder van, ‘er is verzoening’.  

Al dat offeren is een geweldig geschenk van de HEERE voor Zijn volk. Jullie mógen offeren. Jullie mogen offeren in die dienst van de verzoening. En dan maak Ik het zo dat het weer goed is tussen Mij en jullie. En daar kun je dus niet mee omgaan, op een manier, zoals je zelf wel goed vindt.  

Nee, dán zegt de Heere God, ‘met diep ontzag en heel veel eerbied’, en dat begint dus thuis, thuis bij dat uitzoeken. En dat gaat door als het hele gezin naar de tempel gaat.  

En ziet u dan die tegenstelling? Als daar een gelovig gezin is, wat doorgepraat heeft over het brengen van het offer en de genade van de HEERE en ze komen daar bij een priester en die klungelt daar maar raak en die zegt: ‘wat interesseert mij dat nou of dat beest goed of niet goed is. Als er maar geofferd wordt en dat we er lekker van gaan eten, jongens’.   

Verschrikkelijk!  

De priesters die uitgekozen zijn om in dienst van de HEERE dat volk verder te brengen en dat wonder van geloof te steunen en te bemoedigen en hoe je ‘t ook noemt. Dat die daar dus helemaal niks van maken. Nee, dan is het geen wonder dat de HEERE zegt: ‘op zulk minachten kán geen genade volgen. Jullie priesters, jullie erkennen Mij niet in Mijn macht en majesteit. Jullie luisteren niet naar Mij. Jullie bidden niet om Mijn Heilige Geest. En blijf je weigeren, dan zal Ik komen met Mijn toorn.  

Het lastige met het boek Maleachi is, dat wij niet precies weten op welk moment Maleachi heeft geleefd en gewerkt. Want je kunt Maleachi ook combineren met Ezra en Nehemia. En dan zie je bijvoorbeeld in Nehemia, hoe daar een stuk verbetering plaatsvond. Hoe Nehemia bezig geweest is om die tempeldienst te reformeren.  

Nou als Maleachi dus vóór Nehemia geweest is, dan zeg je: ‘ja mooi, er is iets ten goede gekeerd.’ Want, die scherpe woorden van de Heere God die waren er niet om Zijn priesters in één keer maar neer te slaan en te ónt-slaan om zo te zeggen. Maar die waren ervoor om dat volk en die priesters tot bekéring te brengen.  

Het kan ook zijn dat Maleachi ná Ezra en Nehemia is, en dan weten wij niet hoe het allemaal afgelopen is. Dat het dan toch weer ná Nehemia misschien achteruitgegaan is. Maar dan zeg je vooral: ‘moet je eens kijken hoe de Heere nog weer een keer met Zijn, jazeker HARDE woorden- maar met zijn harde genadewoorden gekomen is, om dat volk bij Zích te houden’.  

Want het geldt niet alleen maar de priesters. Het geldt zelfs ook het volk. Ik noemde net dat voorbeeld van die vader die met de kinderen naar de kudde gegaan was, dat was in een gelóvig gezin.  

Maar er waren onder het volk ook een heleboel anderen. Die óók dachten van, nou je kunt de Heere wel voor de gek houden. We beloven dat we Hem een offer brengen. Een mannetjesdier, maar als het eraan toe is en dan denk je: ‘ja dat is ook jammer, dat is wel een heel goed dier’, dus dan breng je vooral niet het beste. Dat was in vers 14. En de priester die vindt dat allemaal goed, ja dan kán het zover komen dat de HEERE, en dan zouden wij in het Nieuwe Testament zeggen, ‘de kandelaar wegneemt’. Openbaring 1-3. Want dan zegt de HEERE zelf: ‘het is beter dat die tempel dicht gaat, dat die deuren gesloten worden. Dat is beter dan dat ze doorgaan met hun minachting voor de HEERE’.   

Want waarvoor zijn offers? Offers zijn niet een geschenk van de mens aan God. Maar offers zijn een geschenk van God aan de mens! Namelijk om de band met God allereerst te bevestigen. Je gaat naar de tempel en je zegt: ‘HEERE hier ben ik, ik wijd mij opnieuw aan U toe en dat laat ik zien met mijn offer’. En dan ga je terug en je dient de HEERE.  

Het kan ook zijn dat het offer gebracht wordt om de band met de Heere te herstéllen. ‘HEERE hier ben ik, zondaar, wees mij genadig, barmhartig. Wilt U al mijn zonden vergeven?’ Ze konden toen nog niet zeggen: ‘om Jezus wil’. Maar ze konden wel zeggen: ‘op grond van Uw barmhartigheid’.  

Want daar gaat het om. De HEERE en Zijn volk ín verbondenheid. En dan echte verbondenheid, niet naast mekaar leven, los van mekaar, maar met elkaar. Daarom heb ik gelezen uit Romeinen 12 en Hebreeën 13.  

Het gaat niet om het voldoen aan een aantal regels als de vorm maar goed is. Nee, het gaat om de inhoud, dat je jezelf -Romeinen 12- met je lichaam aan de HEERE toewijdt en opoffert. Het gaat om je lofoffer van je lippen, Hebreeën 13. De naam van de Heere belijden. En net zo goed de naam van de Heere lofzingen. Niet alleen in de kerk, maar juist ook thuis. Het dienen van de HEERE, vol eerbied en ontzag. 

En dan – als we kijken naar onszelf, dan komen we er ook vaak achter dat ónze offers ook niet zo geweldig zijn.  

Is al ons bidden op het niveau van, wérkelijk de heilige God aanspreken vol eerbied en ontzag? Hoe luisteren we, als er thuis gelezen wordt? Hoe is ons leven? Altijd vol van de HEERE en op elk moment gericht op Hem en Zijn eer?  

Ook wij bieden zo makkelijk van die halfhartige offers aan en misschien soms ook nog wel slechte offers. Het is alléén de Middelaar, ónze Middelaar, de Heere, Jezus Christus, Die áltijd honderd procent in overeenstemming met de wil van God Zichzelf heeft geofferd. Wij kunnen ons dat niet eens indenken, hoe Zijn leven in volmaaktheid voor de HEERE geweest is. Wij kunnen ons dat niet indenken, want wij zijn zondige mensen. 

Maar Hij wás volmáákt! En het is dan alleen ook maar dankzij Hém, dat onze onvolmaaktheid door God wordt weggedaan. Het is alleen dankzij Hem, dat het voor ons werkelijk genáde mag zijn.  

Genade die er dan weer toe leidt -Hebreeën 13- dat wij komen tot die lof met onze lippen. Het is door onze Heere, Jezus Christus, dat Hij ons tóch ziet als ‘een níet gebrekkig offer’ maar als, ‘ja, Mijn kind, dat er helemaal is voor Mij’.  

Onze Heiland! Onze Zaligmaker! 

3) Dan het laatste. De Heere van de legermachten geeft de priesters er van langs 
    Hij spreekt: ánderen zullen Mij erenEn dat is een heel wonderlijk gebeuren in dat Bijbelboek Maleachi, opeens als het ware -tenminste voor ons, als je dat leest- opeens, gaat het over wat anders. Dat is niet helemaal over wat anders, maar zo kan het overkomen.  

Juda is terug uit de ballingschap. GEWELDIG, wat is dat een ONGELOOFLIJK wonder! En dat is ook best, -mensen die de bevrijding hebben meegemaakt, zullen zich daar wél iets van kunnen voorstellen- dat moment dat is zo geweldig geweest, maar hoelang duurde dat, dat het geweldig was? Dat zakt al heel snel weer weg.  

Kerkelijke bevrijding, andere bevrijding, het is: je komt in de ruimte, het is goed, maar hoe lang blijft dat? Die gevoelens bij ons die houden geen stand. Juda moet het wéér horen: ‘Ik, de HEERE geef honderd procent om jullie’. 

Maar – op dat moment maken zij er een puinhoop van en dát laat, om zo te zeggen, de HEERE niet op Zich zitten. Dat laat Hij er niet bíj zitten. Want, de Almachtige spreekt, híer al, Maleachi, dat is meer dan vierhonderd jaar voor de geboorte van de Heere, Jezus Christus. Dat is meer dan vierhonderd jaar voor Pinksteren. Hij spreekt nú al, ‘overal op aarde zal Ik geëerd worden’.  

Genesis, daarin, als het gaat om het verbond, denken wij terecht aan Abraham. En bij Abraham heeft de HEERE al gezegd: ‘in jou, via jou, door jou, worden álle volken op deze aarde gezegend.’  

Maar ja, wat komt daar dan in het hele Oude Testament van terug? Daar zie je maar heel weinig van. En eigenlijk ligt dat dan stil, om zo te zeggen. Eerste Bijbelboek, nou het laatste Bijbelboek in onze Nederlandse versie. Hebreeuwse versie is wat anders, maar in onze versie laatste Bijbelboek.  

En dan komt dat toch weer, -want de Heere vergeet niet één van Zijn beloften-, komt dat toch weer terug. ‘Overal op aarde voor Mij de eer.’ Als jullie er dan een puinhoop van maken. Ik kom echt wel aan Mijn eer. Tot aan de einden der aarde. Als HET volmaakte offer gebracht is. De Heere, Jezus Christus, als de dienst van de verzoening de wereld over gaat. En dat is dan de prediking. Dan zullen uit álle volken en stammen, natiën en talen de mensen zichzelf offeren, hun gebeden offeren, vol eerbied de HEERE loven en zingen. In dankbaarheid aan de HEERE hun leven leiden.  

Het komt wél voor elkaar. Hoe klein het misschien ook lijkt in de tijd van Maleachi. En wat zullen de gelovigen in die tijd het ook moeilijk gehad hebben. Mensen die onder de indruk waren van het verbond van de HEERE. En die zo graag anders willen, dat iedereen mee deed. En ze kwamen erachter, we zijn maar zo’n klein clubje.  

En dan nu zo’n rijke belofte. Ja, je bent dan misschien klein, maar het wordt geweldig groot! De Grote Koning krijgt overal op aarde onderdanen, die eerbied en ontzag bewijzen. Vanwege het allergrootste wonder. Het sturen van Gods Zoon als Redder.  

Dat mogen wij dan direct naar óns toe laten komen. Want u hoort ook bij die heiden-volken. Misschien dat er een enkeling is die Joods bloed in de aderen heeft, maar over het algemeen zijn wij van de Batavieren en de Kaninefaten zeg maar. Nou dat was volk, dat was niet zulk best volk.  

Maar ook híer is de HEERE gekomen met Zijn Woord, met Zijn Evangelie, met de dienst van de verzoening. En ook híer, en dat is dan de eeuwen doorgegaan op die wonderlijke manier die helemaal onder de leiding van God gebeurde. Waarbij het zó vaak was dat mensen er niks van maakten en dat het ook alleen maar aan de Heere God te danken is dat wij Hem nog mogen dienen en kunnen dienen en dat er nog een gemeente van Hem is.  

Maar door Hem, is het altijd dat Zijn gemeente zegt: ‘dankzij Jezus Christus, door Zijn Geest, alle eer, voor de HEERE.’  

AMEN