Preek Handelingen 2:36

Print Friendly, PDF & Email

Preek Handelingen 2:36
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Emmen (morgendienst) en Assen (middagdienst), 09.06.2019   

Liturgie

Morgendienst

  • Votum + zegengroet
  • Gezang 28:1
  • Tien Woorden
  • Psalm 16:1,2,3
  • Gebed
  • Psalm 16:4,5
  • Lezen Handelingen 2:14-39
  • Tekst HANDELINGEN 2:36
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 110:1,2,3,4,5,6
  • Gebed
  • Dienst der offeranden
  • Gezang 28:2,3,4
  • Zegen

Middagdienst

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 98:1,2
  • Gebed
  • Gezang 28:1
  • Lezen Handelingen 2:14-39
  • Tekst HANDELINGEN 2:36
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 110:1,2,3,4,5,6
  • ApGelBel
  • Gezang 28:2,3,4
  • Gebed
  • Dienst der offeranden
  • Psalm 98:3,4
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus, 

Het is, om het wat vlotjes te zeggen, voor ons toch eigenlijk gesneden koek: Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren. Dat weten we allemaal en we kennen Jezus, de Zoon van Maria, de Zoon van God, en Zijn werk.  

En op die dagen als vandaag, net zo goed als Kerst en Pasen enzovoort, dan zeggen we tegen elkaar: wat een wonder, HIJ! 

Maar toen die Jezus uit Nazareth hier op aarde was, hadden de mensen hun grote vragen: “Wie is Hij toch, hoe zit het nu werkelijk met Hem? We kennen Zijn ouders. We weten het gezin waar Hij uit kwam. Maar op de een of andere manier past Hij daar ook niet bij. Hoe anders is Hij?”  

En als je de evangeliën leest, dan blijven die vragen maar komen. En geen antwoorden. 

En dán wordt het Pinksteren, en over de conclusie van de Paaspreek van Petrus op die dag, wil ik u het Woord van God bedienen onder het thema: 

God de Heilige Geest werkt op Pinksteren naar het belijden van Jezus toe, dat belijden houdt in: 

1) wij kruisigden Hem 

2) God maakt Hem Heere 

3) God maakt Hem Gezalfde  

1) Twee keer staat het, in die preek: ‘déze Jezus, hebben júllie gekruisigd’. Hij Die met  
    daden en met woorden Zich aan alle kanten liet kennen als de Redder. Hij, de Man Die door God Zélf jullie is aangewezen, -staat zo in vers 22-.  

Maar jullie hoefden Hem niet, vers 23. Dat gaat zover, dat ze via de Romeinen Hem vermoorden. En niet alleen maar Hem vermoorden, maar het gaat nog verder. Want als ze zeggen en schreeuwen: “Aan het kruis met Hem”. Dan betekent dat net zoveel als: moge Hij eeuwig van God gescheiden zijn, moge Hij branden in de hel. Want dat is kruis en dat is vloek.  

‘Jullie hebben Hem gekruisigd’, dat is schokkende taal. Omdat de feiten schokkend zijn. Gods eigen volk, het heeft eeuwenlang uitgekeken naar het komen van de Redder. En de gelovigen onder dat volk van God, ze waren er zeker van, het zál gebeuren op Gods tijd. Maar als het dan gebeurt, dan is die Goddelijke manier van doen, die is hun veel te hoog. Ze komen er niet uit. ‘Wie is Hij?’ Eerst moet, -denk maar aan Lucas 24-, eerst moet de Heilige Geest hun verstand openen, en dán pas zullen ze Hem belijden als hun Redder.  

En dáár is op de Pinksterdag God de Heilige Geest mee bezig. Met dat openen. En daarbij legt Hij de nadruk, op hun verschrikkelijke schuld, wat betreft dat vreselijke sterven van die Jezus. Ze móeten het gaan erkennen: ‘wíj kruisigden Hem’.  

Dat is, broeders en zusters, niet alleen maar een zaak van: ‘wat een wreed gedoe, wat een misdadig gedoe’. Nee, het is nog veel verder, het is: ‘wat zijn wij tegen God ingegaan, met een keiharde opstandigheid’. Want de Zoon van God, door God Zelf gestuurd, tegen Hem zeiden wij ‘nee’! Eigenlijk wezen ze dus in die kruisiging God Zelf af.  

En als dat zo rechtuit tegen je gezegd wordt, dan is dat een schokkend gebeuren. Maar die schok zal nog groter worden als ze tenslotte gaan beseffen en gaan belijden, wie Hij echt is. Want op dat moment, als Petrus het woord voert, kennen ze Hem nog steeds niet. Weten ze nog niet, wie Hij echt is.  

Dan is daar: zeven weken geleden, iets meer dan zeven weken, is Hij gekruisigd. En voor de meeste Joden, daar in Jeruzalem, bestond Hij dus niet meer, was Hij er niet meer. Nee, Hij had afgedaan. Alleen dat kleine groepje, die 120 mensen, die wisten beter. Maar verder iedereen, het was klaar met Jezus.  

Gekruisigd, gestorven, begraven.  

Goed en dan is daar misschien wel, dat er rondzingt: er is toch ook nog iets bijzonders gebeurd rond het graf, en die soldaten van Pilatus, noem maar op. Maar ze weten het niet. Ze kennen Hem niet. Als Hem van Wie geldt, zoals David in PSALM 16 dat profeteert: ‘maar het graf kan Hem niet vasthouden’.  

Zíj kennen Hem niet, maar hoe is dat bij ons? Kent u, ken jij Hem écht? Zoals Hij ook écht is? Dat echte kennen, dat komt dus nooit vanzelf. Wil je de Heere Jezus écht kennen, dan heeft dat altijd te maken met bidden, of beter nog, met sméken, of God door Zijn Geest die geloofskennis en die belijdeniskennis over Jezus wil geven. En anders, hou je vragen. Net als die Joden. En zulk smeken om kennis, dat is tegelijk ook smeken om genade.  

Want er is ook híer niemand die kan zeggen: “Ik heb er recht op, om Hem echt te kennen.” Nee, het is genade om die Jezus te mogen zien met de ogen van het geloof. Die Jezus die ook de toorn van God over míjn zonden, heeft moeten ondergaan. Dat kruis had met míj te maken. Míjn schuld was zo groot. Nee, zeker niet, er is niemand nu hier die daarbij was in Jeruzalem. Niemand van u heeft ooit geroepen: “Kruisig Hem.”   

Maar Zijn liefde, om Zichzelf toen te offeren, had alles te maken, ook al met ons. Opdat wij gelovig leven. En niet Hebreeën 6, niet de Zoon van God opnieuw kruisigen door Hem af te wijzen en níet te belijden. Ja, wie smeekt, wie echt smeekt om Gods genade, die zal ook erkennen: ík verdien de eeuwige straf. Maar die mag, ja die zál die genade dankzij deze Jezus dan ook krijgen. Want Hij is dan ook ónze HEERE, ónze Gezalfde. 

2) En dan zijn we bij het tweede: God werkt op Pinksteren naar het Jezus belijden  
    toe, dat Hij Heere is gemaakt door God. Dat staat er met véél nadruk. Want heel dat verbondsvolk, al die mensen die daar in Jeruzalem zijn. En ook allen buiten Jeruzalem, tot ver in de verstrooiing aan toe. Ze moeten het allemaal zéker weten!  

Dan weet je wel hoe ver het is. Als er gezegd wordt: “En dat móet je zéker weten.” Dan kun je niet zeggen: ‘nou ja, is dat nou zo erg?’ 

Nee, dan moet dat écht gebeuren! Ja! Zo staat het hier: heel het huis van Israël moet zéker weten. En er staat nóg een klein woordje, dat moet je ook niet overslaan. Het woordje ‘dan’. Ik vind dat eigenlijk iets te zacht gezegd: ‘laat dan heel het huis van Israël weten’. Nee, er staat, ze móeten het zeker weten.  

‘Dan’, wat betekent dat woordje? Dat is eigenlijk hetzelfde als ‘daarom’. Waarom? Ze moeten dat zeker weten, alles wat God de Heilige Geest, in opdracht van de opgestane en verhoogde Jezus, in die Paaspreek via Petrus heeft laten horen.  

En wat valt dan erg op in die Paaspreek? Dat Petrus telkens teruggrijpt op wat ‘geschreven staat’. Op wat God Zelf al gezegd had, op het Woord van God. En dan is Petrus niet de enige die er aan het woord is. Want later zijn er 3000 mensen gelovig geworden. Al die apostelen, al die 120 gelovigen zijn daar aan het woord geweest. Petrus is degene die voorop mag gaan.  

Op alles wat er gezegd wordt, moeten die bondelingen, want dat zijn het, moeten die bondelingen volledig overtuigd ‘ja’ gaan zeggen. Ze moeten gaan belijden: ‘ja, zo is het.’ Groot is de HEERE. Groot is Jezus, de Redder. Groot is de Heilige Geest, Die alles duidelijk maakt.  

Ze moeten het weten. En dan gaat het niet om het weten van zomaar wat. Weten van dingen waar je niet koud of heet van wordt. Quito is de hoofdstad van Ecuador. Nou, word je daar gelukkig van? Dan zeg je van: “Nou en, wat kan mij dat nou schelen, daar ga ik toch nooit heen.” Misschien weet je niet eens waar Ecuador ligt. 

Nee, het gaat om het weten van dingen dat je ook wat dóet. Die teksten uit het Oude Testament, Joël, PSALM 16, PSALM 110. Die hebben regelrecht met die Jezus te maken, en dat Hij, Héére is. En alles wat Lucas in zijn Evangelie schrijft over de Man uit Nazareth, met dat absolute hoogtepunt, dat Hij is opgestaan. Nadat Hij gekruisigd was geweest. Dat hoort ook bij: dat móet je weten. Al die teksten. Al die feiten die daar vermeld zijn. Die moeten volstrekt zeker leiden tot deze conclusie, tot deze belijdenis, tot Héére heeft God, deze Jezus gemaakt.  

Je mag ook zeggen, tot Héére heeft God Hem ‘aangesteld’. Want dat woordje kom je ook tegen in Marcus 3:14, dat de Heere Jezus de leerlingen ‘aanstelt’ als apostelen. 

Maar als je dat zo leest is dat toch een bijzondere manier van zeggen. God heeft Hem tot Héére gemaakt. Want in het Evangelie naar de beschrijving van Lucas, daar is Hij toch ook al Heere genoemd? En we zijn nu een heel eind verder. Denk maar aan Elisabeth. Elisabeth die had het tegen Maria, óver Maria, als: ‘de moeder van haar Héére. En de engel, in de velden van Efratha, die heeft het over: ‘Christus, de Heere. En in nog een paar andere teksten, 7:13, 10:1, 11:39, wordt Jezus, Heere genoemd.  

En toch wordt hier gezegd: ‘God heeft Hem tot Heere gemáákt’. En waar is dat om?  Omdat de opstanding, om zo te zeggen, een extra dimensie geeft. Ja, dat is weer even een moeilijk woord vanmorgen/ vanmiddag, ‘een extra dimensie’. Er wordt een extra lading aan gegeven. Er komt nog wat bij, om zo te zeggen. Bij dat werken van de Heere Jezus als Redder. Want als de Heere Jezus is opgestaan, dan zegt Hij tegen Zijn leerlingen: “Mij is gegeven álle macht, óveral.”  

Dat zei Hij nog niet vóór de opstanding. Toen was Hij ook wel Heere. Maar toen was het allemaal nog, als het ware, onderdrukt, in het verborgen, het kwam nog niet duidelijk naar buiten. Maar daarná: alle macht!  

Hij kan vanaf de opstanding laten merken dat Hij Eigenaar, -dat zit ook in het woordje Heere-, dat Hij Eigenaar is, van íedereen die de Vader Hem gegeven heeft.   

Want u kent wel dat verschil, met die twee woorden, leven in vernedering -de Heere Jezus op aarde vóór Zijn sterven-. En leven in verhoging -de Heere Jezus vanaf Zijn sterven en de opstanding-. Zolang de Heere Jezus die periode van vernedering beleeft, dan is Zijn hoogheid en heerlijkheid, en helemaal Zijn heerschappij, lang niet altijd te merken.  

Denk maar aan Filippenzen 2, ‘in de gedaante van een slaaf’. Nou ja, wat stelt een slaaf voor!? En Hij heeft dat God zijn, dat heeft Hij niet in die periode zo omhoog, zo hooggehouden dat dat voor iedereen duidelijk wordt. Maar als Hij dan is opgestaan, vanaf de opstanding, vanaf de Hemelvaart, dat is ook weer Filippenzen 2, dan moet élke knie zich voor Hem buigen en elke tong belijden, dat Jezus de Gezalfde, de Heere is.  

Kijk, vanaf de opstanding kan Hij dat voluit laten zien. Dat is het grote verschil, voor en na. En dat wordt hier bedoeld met: God de Vader, Die Hem tot Héére heeft gemaakt. Zoals wij dat zingen: ‘God de Vader stelt Hem in de troon, als Christus en als Heere. Bekleed met macht en ere’. Het gaat om: dán Zijn macht en ere die zichtbaar kan worden, die z’n uitwerking kan krijgen. Verandering, vanwege de verhoging. 

Zeker, er blijft een boel gelijk. De Heere blijft mens. Maar er is ook een heleboel verschil. Hij is verhoogd. Hij gaat naar de Hemel. En Hij gaat Zijn heerschappij daadwerkelijk uitoefenen, PSALM 110. En dat moet vanaf Pinksteren beleden worden. 

Heere wás Hij dus al altijd, maar vanaf Pinksteren wordt dat steeds duidelijker. Dat heeft op Pinksteren te maken met díe opstanding. Wij hebben de uitdrukking van: ‘ja, dat gebeurt als Pasen en Pinksteren op één dag vallen.’ Dat betekent, dat gebeurt dus nooit. Maar eigenlijk zou je mogen zeggen bij deze tekst: ‘hier vallen Pasen en Pinksteren op één dag’. Want op Pinksteren gaat het in feite om alles van die opstanding. Natuurlijk, alles van de Heere Jezus, maar met dat kernpunt van de opstanding. 

Romeinen 1:3 en 4: “met kracht bewezen dat Hij de Zoon van God is, dóór Zijn opstanding uit de doden, onze Heere.” En wat is dat dan een belangrijke boodschap voor al die mensen daar in Jeruzalem, en later. Wat is dat een zégen, want ‘Heere’ is voor de gelovigen, door de Heilige Geest, ‘míjn Heere’ of ‘ónze Heere’. En dan zit daar alles in van Zijn heerschappij. En alles wat Hij als Eigenaar, wat Hij als Machthebber ook aan heerlijke gaven geeft. 

Dat betekent dus wel dat wij die titel ‘Heere’ nooit zomaar eventjes kunnen gebruiken. Want die titel heeft zóveel inhoud! Eigenlijk moet je er telkens weer even bij nadenken. Ja, dat kunnen we niet, want wij zijn mensen. Maar, als u dus bijvoorbeeld in uw bidden of in uw praten, het hebt over de Heere Jezus, dan is het goed om, -laat het zo nu en dan zijn-, te denken: ‘o ja, dat is toen op Pinksteren gezegd, want Hij is opgestaan en Hij leeft en Hij…’, en dan kun je al die rest er verder bij invullen. Zóveel. Ja, alle inhoud. 

3) Maar er is nog meer, dat is het laatste: God de Heilige Geest werkt op Pinksteren  
    naar het belijdenis van de opgestane Jezus toe, Hij maakt Hem ook Gezalfde. 

Ik vind het woord ‘Christus’, -ja, het staat in de Bijbel, het staat in de vertaling-, soms lastig. Omdat, als ik alleen ‘Christus’ lees, dan is dat een soort naam, en dan heb ik daar verder weinig gedachten bij. Daarom probeer ik het wel eens vaker te zeggen, de vertaling daarvan, ‘Gezalfde’. Omdat je vanuit de catechismus bij ‘gezalfd’, meteen kunt doordenken over: ‘ja, gezalfd, waarvoor ook al weer? En waar heeft dat mee te maken?’ Nou, dan is het weer ‘PPK’. Je weet toch wat ‘PPK’ is? Dat is: Profeet, Priester, Koning. Daar kun je meteen over doordenken: Christus, christenen.  

Goed, ik gebruik dus nu ook in deze preek het woord ‘Gezalfde’. Hij maakt Hem ook Gezalfde. Dan heb je te maken met (hetzelfde als net): ‘was Hij dan geen Gezalfde toen Hij nog op aarde was?’ Jazeker, Hij was toen ook al de Gezalfde.  

Maar vaak onbegrepen. Denk maar aan het moment dat Petrus Hem zo erkent. Bij Ceasarea – Fillippi, ‘U bent de…,’ en dan zegt de vertaling: ‘U bent de Christus’. Maar leest of zegt u dan maar: ‘U bent de Gezalfde, de Zoon van God’. Prachtig!  

Ja, maar 3, 4, 5 verzen later, dan zegt Petrus: “Nee, nee, zo moet het niet, u moet niet naar Jeruzalem met al die ellende en zo.” En dan zegt de Heere Jezus: “Ga weg, achter mij, satan.” Dus hij had het goede gezegd, “U bent de Gezalfde”, maar hij snapt er nog bar weinig van, dat die Gezalfde inderdaad is gekomen om te lijden en te sterven voor de zonden van de Zijnen.  

Toen al Gezalfde. Maar nu, verhoogd in de hemel, om nog veel krachtiger verder te gaan, met Zijn reddingswerk. Nu kan Hij als de Verhoogde, door Zijn Heilige Geest, voluit laten merken wat het ‘gezalfd zijn’ allemaal betekent: profetisch, priesterlijk, koninklijk.  

Als profeet, dat onderwijs in de Schriften. Met altijd weer: “Zo staat geschreven.”  

Als priester, de vergeving van de zonden. 

Als koning, het eeuwige leven.  

Kijk, vanaf Pinksteren wordt het steeds groter. Eerst blijft het in de kring van de bondelingen: Jeruzalem, Judea. Maar het gaat daarna ook verder. Het gaat de hele wereld over. Dat Hij leeft! Ja, en dat Hij het leven gééft, Psalm 16 vers 4 en 5, in de berijming. Opstanding, broeders en zusters, is aan de ene kant een afsluiting, van dat hele leven daarvoor. Maar aan de andere kant, is het ook een nieuw begin.  

Nou even terug naar die situatie in Jeruzalem. Petrus, met de anderen, die daar dít Woord van God brengen. Het is schokkend, ronduit schokkend, voor de hoorders. Want die waren en dat was helemaal ten onrechte, zij waren volstrekt negatief over deze Jezus. ‘Aan het kruis met Hem.’  

En nu krijgen ze te horen dat God, op grond van Zijn gehoorzaamheid en Zijn straf-dragen, beide voor 100%, absoluut pósitief was over deze Heere Jezus.  

Dus ze worden keihard geconfronteerd met wat ze hebben uitgehaald, wat ze hebben misdaan. En dat dat regelrecht ingaat tegen de beoordeling van God. Dus wat blijft er dan over? Alleen dit ene. Dat ze tot inkeer komen. En dat ze zeggen: “Wij geloven met het hart en wij belijden met de mond: Hij is inderdaad mijn of onze Heere, mijn of onze Gezalfde, Die voor mij en ons gekruisigd is. En wij verlangen er vurig naar om Hem te Zíjner tijd te ontmoeten”. 

AMEN