Preek Zondag 2

Print Friendly, PDF & Email

Preek Zondag 2
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Lutten, 16.06.2019 

Liturgie

  • Psalm 38:1,2,3,4,5
  • Lezen
    • Romeinen 7:7-25
  • Psalm 6:1,2,3,4,5,6
  • Tekst
    • Zondag 2
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 38:6,7,8,9,10,11
  • Geloofsbelijdenis van Nicea
  • Gezang 30:6
  • Dienst van de offeranden
  • Psalm 93:3
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus, 

Wat ben je d’r voor één? Hoe kijk je aan tegen jezelf?  

Geloof je met ZONDAG 1: ik ben ván Hem, ik ben vóór Hem? En zeg je dan: dat is prachtig! Dat is geweldig! Dat is heerlijk! Dat is mooi!?  

En dan … 

ZONDAG 2.  

Luister je dan ook, als Híj je leert, als Híj je onderwijst, zodat je een oprecht besef van schuld hebt. Aanvaard je dan inderdaad, dat je van jezelf, -en dan kun je dat een beetje,  toch wat neutraal zeggen-, een ellendig mens bent. Maar iets scherper, dat je een ellendeling bent? 

En als je dat beleden hebt, hoe kijk je dan aan tegen jezelf?  

Zeg je dan ook: dat is prachtig dat ik dat weet? Geweldig!? Heerlijk!? Mooi!?  

Of …  

In hoeverre zingen wij de boetpsalmen, zoals Psalm 6, Psalm 38? Ook ten aanzien van onszelf: ‘dit gaat over mij’.  

Dat heeft alles te maken met die tweede ZONDAG. Het begin van de gróótheid van onze ellende. De afkorting is altijd EVD: ellende, verlossing, dankbaarheid. Die zit niet helemaal eerlijk in mekaar, want het is niet alleen maar die ‘E’. Het is de gróótheid van onze ellende, het gaat dus nog dieper. 

Ik wil u vanmiddag vanuit uw belijdenis, de belijdenis van de kerk, aan de hand van ZONDAG 2 het Woord van God bedienen, en wel onder het thema: 

God tróóst gelovende ellendelingen, via kennis van:
1) de wet (V / A 3)
2) de zonde (V / A 4)
3) zichzelf (V / A 5)

1) Kijk, dat er ellende is, dat weet sinds Genesis 3 natuurlijk iedereen. En dat weet je  
   ook maar al te goed. Dat wisten ze in de 16e eeuw ook. Ursinus en Olevianus die hadden daar heel nadrukkelijk ook mee te maken.  

En – dat is nog altijd zo, er is armoede, er is oorlog, er zijn aardbevingen, er zijn tsunami’s, er is kanker, er is ALS, er is milieuvervuiling, er is misdaad, er is kindermisbruik, er is ruzie, er is moord, nou, zo zou ik nog een hele poos kunnen doorgaan.  

En dat is toch allemaal ellende? Daar kun je rustig van zeggen, ja dat is allemaal ellende, verschrikkelijke ellende. Als je er iets van meemaakt, weet je pas hoe verschrikkelijk het is.  

Maar je bent met al die dingen d’r nog niet aan toe, om jezelf als ellendeling te beschouwen. Want het kan gaan om een heleboel dingen waar je op grote afstand van staat. Je kijkt ernaar en je zegt, ‘ja dat is ellendig’ en ondertussen dan fluit je een deuntje of je neemt nog een koekje en de koffie was heerlijk. Dat raakt je niet eens.  

Maar als je jezelf als ellendeling beschouwd, ja, dan komt het heel dichtbij. Maar dat is iets, broeders en zusters, dat is werkelijk iets, dat moet Gód ons duidelijk maken. Dat is het werk van God de Heilige Geest, want anders komt niemand daar aan toe. God moet duidelijk maken, dat wij allemaal afkomstig zijn uit het heerlijk leven met God, en dat dat nu, wat ons betreft, voorbij is. Over en uit.  

Kijk, als je naar die andere ellende kijkt, dan kun je zeggen: ‘ja, dat is heel erg, heel verschrikkelijk erg’. Maar als het jezelf niet raakt, so what … 

Maar ellendeling: ik uit het paradijs gegooid, ik hoor en ik pas daar niet meer.  

En hoe weet ik dat? Dat weet ik omdat God Zijn wet aan mij laat horen. In het paradijs prachtige geboden als de HEERE tegen Adam en Eva zegt: ‘luister naar Mij en je zult het goed hebben’.  

En Hij zegt ook meteen van tevoren, -dat is Genesis 2 al- en doe je dat niet, zonde is: opstand tegen God. Zonde is niet: ‘een miskleun’. Zonde is niet: ‘sorry’. Zonde is niet: ‘ja, dat overkomt ons allemaal wel eens’. Zonde is niet: nou …  

Nee. Zonde is: opstand tegen God. Je zult maar durven! 

Zonde is, dat je leeft, alsof God niet bestaat. En alsof Zijn wil niks met jou te maken heeft. En dan is de apostel Paulus in de brief aan de Romeinen klip en klaar over al dit soort dingen.  

Ken je de wet niet, dan weet je ook niks van zonde en schuld. Ken je in Nederland de verkeerswetten niet, nou, dan zeg je: ‘rood licht, prachtig, wat een mooie feestverlichting’ en dan rij je erdoorheen. Ja, dat het dan fout gaat …, je kent de wet immers niet.  

Wet doet zonde kennen. Mama heeft thuis wel een wet, misschien wel een heleboel wetten. Noemen wij natuurlijk nooit wet. Mama zegt nooit: ‘je moet naar mijn wet luisteren’. Mama zegt wel van: ‘denk er goed om, nou weet je ook wel wat ik gezegd heb hè? Dus afblijven, ik heb net die kwarktaart gemaakt, maar nu, nee niet met je vingertjes daardoorheen’. Ja, dat is de wet, dat is de regel van mama. Maar als mama niks gezegd heeft, of als mama zegt: ‘dat moet je zelf weten of je dat nou leuk vindt’, dan mag je dat doen, want dan is er geen wet.  

Zonder wet maakt het allemaal niks uit. Dan maakt het niks uit of je liegt, dan is overspel geen probleem, dan kom je niet in de kerk, in de eredienst. Dan fraudeer je zonder problemen, dan kan álles. 

Maar de wet, die maakt duidelijk, wat zonde is. En wat de gevolgen van de zonde zijn. Dat die opstand tegen God, dat dat een kloof met God veroorzaakt, een breuk, een verwijdering die niet te overbruggen is. En dan gaat het om die God, die Zich aan ons verbonden heeft, die ons liefheeft. Kijk, dát is ellende. Dat je de liefde en de band van God en met God, dat je die afwijst. 

ZONDAG 2, die wijst ons op de ellende áchter alle ellende. Op zondigheid, die zonde tot gevolg heeft. En hoe we hier ook zitten, wij hebben allemaal met die zondigheid en die zonde te maken. En als je dan de wet hoort…  

Vanmorgen, de Tien Geboden. Dan moest je, als je eerlijk was, bij elk gebod zeggen: ‘ik sta in de schuld’. Er was geen gebod bij waarvan je kon zeggen: ‘nou, in die afgelopen week, ja, keurig gedaan’. Dan hebben we het natuurlijk niet over 100%, want dat is te veel voor ons, maar: ‘nou, dat ging aardig goed allemaal’.  

Ja, als het gaat om overtredingen, dan valt het inderdaad wel mee. Niemand de mes in de rug gestoken toch? Nee, van de week niet, nee van de week niet. Geen bank overvallen, nee, nee van de week ook niet. Ja, zo kan ik er nog wel een paar.  

Maar dan, heb ik met liefde mijn naaste behandeld? Want dat is de andere kant van die messteek. Heb ik echt die mensen die kort om mij heen zitten, in hetzelfde huis, heb ik die in liefde behandeld, van ’s morgens tot ’s avonds? En dat andere, nee die bank niet, maar hoe ben ik omgegaan met geld en bezit? Heb ik dat precies zo gedaan, zoals God dat wil?  

En dan die Tien Woorden, broeders en zusters, die vatten het samen: de wil van God. Het is een samenvatting, eigenlijk van heel de Schrift. Want in heel de Schrift, van begin tot eind, Genesis tot Openbaring. In heel de Schrift maakt God bekend, hoe Híj wil dat Hij met ons verder gaat, dat wij met Hém verder gaan. Héél de Schrift, ‘waaruit kent u uw ellende? Uit de wet van God’. Dat is het mooiste antwoord voor de catechisanten, die kennen ze allemaal. Het is misschien ook wel één van de moeilijkste antwoorden.  

Uit de wet van God. Uit heel die onderwijzing. En het is dus niet alleen maar die Tien Geboden, maar dat is ook uit al die geschiedenissen waarin God laat merken, ‘zo wil Ik het hebben en zo wil Ik het niet’. Maar wat is heel de Schrift ook, en dat is onze redding. Heel de Schrift is ook: Christus!  

Want na Genesis 3 leert de wet van God ons: ‘het is volstrekt noodzakelijk, dat Hij komt en van de schuld bevrijdt. En een ander is er niet .  

Geloven, na ZONDAG 1, dat is met besef van schuld: ‘ik, ellendeling’. Of HSV; ‘ik, ellendig mens’. Met besef van eigen schuld, vertrouwen op Christus!  

Want wie zichzelf niet kent als ellendeling, heeft hij / zij de Christus dan wel nodig?  

Dat is altijd weer die verbinding van die drie, -mag ik het zeggen- onderdelen van de Catechismus, maar dat is ook Gods Woord. Je kunt nooit en te nimmer verlossing los zien van ellende en los van het dienen van de HEERE. Die drie, daar moet een enorme accolade omheen, dat hoort volstrekt bij elkaar. Als je het ene pakt en het andere weg laat, dan valt die Bijbel als het ware uit elkaar.  

Eerlijke kennis van de wet. Jezelf gaan erkennen en belijden als ellendeling, dat is er ook om het wonder van je redding en je verlossing te zien! Wie wordt er verlost? Wie wordt er gered? Is dat degene die al behoorlijk ver gekomen is in zijn geloof, in zijn gehoorzaamheid? ‘Ja, ik zit al ongeveer, -dat is net als op school: ik zit in niveau zoveel met lezen, ik weet niet precies tot hoe hoog je wel kunt komen, 12 geloof ik. Als je dan op niveau 10 zit, dan zit je hoog…- Nee, dat heeft hier níets mee te maken.  

Die redding is helemaal en volstrekt en honderd procent en totaal, alleen van Christus. En dat is het wonder, dat je dan toch weer, -terwijl je uit het paradijs moest-, toch weer als kind bij Vader thuis mag zijn. Toch weer, samen met Hem optrekken mag, in een leven van dienst. Omdat HIJ, omdat Chrístus alleen, aan de ellende een eind maakt.  

En dat is, – kinderen mogen vanmiddag een afkorting leren, TG LT, TG LT, dat betekent tegelijkertijd. Want het is ‘tegelijkertijd’: én verschrikkelijk, de Heere, Jezus Christus, die verschrikkelijke dood aan het kruis, dat het voor míj moest. En ‘tegelijkertijd’: héérlijk, God gáf Zijn Zoon. En de Heere, Jezus Christus, wilde Zichzelf offeren en mij redden. Het is én – én.  

Kennis van de wet biedt rijke troost. Ja, in het licht van Christus! En daarom, broeders en zusters, jong en oud, daarom is het van belang om als je toe bent aan dat eerste onderdeel van de Catechismus, om dan niet te denken; ‘ach, mama mia, nou hebben we dat weer, de ellende, nou gelukkig maar drie ZONDAGEN, dus ‘de turbo erop’ en dan zijn we er ook gauw door.  

Nee, dat je dan óók bij dat eerste onderdeel vraagt: ‘Heilige Geest, wilt U toch in mij werken, zodat ik ook zonde léér kennen én de verlossing van de zonde. Maar, er is geen echte zondekennis buiten God de Heilige Geest om.  

Maar ook bij ZONDAG 2 -en je kunt ZONDAG 2 ook niet op zichzelf nemen- van, dit is een blok beton ZONDAG 2, nou loop je daar maar op stuk, want dit gaat over de ellende. Nee, ZONDAG 2, allereerst al staat die na ZONDAG 1, en daar moet je geen letter vanaf doen wat je in ZONDAG 1 beleden hebt. Hou dat vast, het eigendom van Jezus Christus, en vier daar feest over. 

En dan ZONDAG 2, maar net zo goed de tróóst van God, want zonde leert, dóór de Geest, dat is ook niet vanzelf, van: o, het is allemaal ellende en kom ik misschien wel uit bij de Heere Christus. Níet vanzelf, maar geschenk van God de Heilige Geest, kom ik bij Christus uit. Want niet alleen ellende.  

Je kunt mensen tegenkomen die vastlopen in die eerste drie ZONDAGEN, over hoe groot de ellende is. Die dpressief worden, in de moeite komen. Als je het alléén maar hebt over de zonde, inderdaad, dan zou je depressief worden. Maar dat is niet de bedoeling van ZONDAG 2. De bedoeling is, leer die zondigheid en zonde kennen, ópdat je ziet wie Chrístus is. Het is echt, broeders en zusters, ook ZONDAG 2, is onderdeel van hét troostboek en dat is die Catechismus in zijn totaliteit. 

Vandaar ook het tweede. God tróóst de gelovende ellendeling, via kennis van de zonde. Wie is het, Die u nog rijkere troost wil geven? Via zondekennis? Dat is de Heere, Jezus Christus, Zelf. Tegen alles wat mensen naar voren brengen, tegen de satan in, zeg dat er maar bij. -En, denk even aan de situatie waarin Mattheüs 22 staat-. Men probeerde Hem uit, men was erop uit om Hem tot zonde te verleiden. En dan zou voor ons alles afgelopen zijn. Maar tegen dat alles in, handhaaft Jezus Christus Zelf, wat God vanaf het paradijs van Zijn schepselen eist.  

Adam en Eva, óók de eis van God: liefde, trouw, verbondenheid, samen-op. Die eis, zij konden het doen, maar ze hebben het niet gedaan. Maar daarna, daarna is het nooit meer paradijselijk op deze aarde. Ja, er is nog een heleboel goeds. Hoewel dat niet voor iedereen hetzelfde is, er zijn ook mensen die een heleboel niet goeds meemaken. Soms even, en we willen het dan zo graag vasthouden, maar dat lukt niemand. Het is op deze aarde niet meer paradijselijk! Want wij hebben gezondigd.  

God eist, zo herhaalt de Heere, Jezus Christus, God eist liefde. Dat ons hart er voor Hem is. Dat we gáán voor Hem. Leven met Hem, samen-op. Van ’s morgens tot ’s avonds. Dat het ’s morgens niet de eerste reactie is: ik grijp mijn smartphone. Maar dat ’s morgens de eerste reactie is: en wat zegt Gods Woord. En dan komt de smartphone er wel achter aan. De hele dag door, en ’s nachts. God eist dat wij Hem zoeken. Dat wij graag het contact met Hem hebben.  

Als je weten wilt wat voor mens je bent, wat voor gelovige. Dan moet je eens kijken naar je bidden. Want bidden is dat contact hebben met God, van onze kant. En wie God zoekt, dat zal een vurig bidder zijn. Hoe beperkt en gebrekkig ook in woordgebruik en in, -iemand die zegt: ‘ik heb nooit wat geleerd’- dat maakt allemaal niet uit. Maar wel het punt van: God zoeken in het bidden. Elke keer weten van, hoe gróót bent U! En dat elke keer erkennen. En vragen van: en wat wilt U? En daarnaar op zoek zijn. 

God liefhebben. Vurig bidden. En dan ook samen-op gaan met de ander. Écht geven om die ander. En wat kan dat ontzettend moeilijk voor ons zijn. Je kunt er bij jezelf tegenaan lopen dat je merkt van, ik heb helemaal niks met die. Ik vind mensen soms hopeloos volk, dat je denkt van, ik zou best een poosje op een onbewoond eiland willen wonen. Al dat gedoe altijd met mensen, er is ook áltijd wat. En dat houdt nog nooit op ook. Ja, en dan toch, de naaste liefhebben. 

Daar zit dat vurig bidden ook bij, opdat de Heilige Geest in mij aan het werk is. Want als ik naar mezelf zou afrekenen, dan zat ik inderdaad op dat onbewoonde eiland. Samen-op gaan met die ander, God gebiedt het. Het is Christus Zelf, Die ons leert, wie wij zijn. Ellendelingen, met onze zonde.  

Want, en denk dan weer even aan Paulus, wij komen immers niet verder dan, ‘wat ik wil, dat doe ik niet. Wat ik niet wil, dat is er zomaar’. Je wilt toch niet lelijk tegen je moeder doen? Nee, maar het gaat vanzelf. Je wilt toch …?  

Het is zó herkenbaar. En niet alleen voor kinderen, maar het is herkenbaar in een gemeente van Christus. Wij wíllen toch elkaar liefhebben? En hoe moeilijk is dat! En hoe vaak mislukt het? Wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.  

Ik weet niet, broeders en zusters, hoe u die Schriftlezing net hebt ondergaan en hoe u hebt meegelezen, maar ik vind deze woorden van God zo ontzettend aangrijpend. Want wij kunnen onszelf natuurlijk wel voorhouden dat wij allemaal wel aardig beste mensen zijn. We zijn gelovige mensen: ‘nou, we doen het over het algemeen toch wel redelijk’. En, dan krijg je dit voor de kiezen. ‘Wat ik wil, dat doe ik niet, maar wat ik niet wil, dat doe ik’.  

Nee, dat betekent niet dat alles fout gaat. Maar het betekent dat de heelheid, de compleetheid van ons leven, níet bestaat. Het zijn al door flintertjes, het zijn vonkjes, het zijn … -je hebt van die hunebed stenen, dat zijn bij ons dan inderdaad van die flintertjes die daar afkomen-. Eventjes, ja, het was even mooi, het was even goed, het was even fijn, het was even dit, het was even dat… Maar het is niet heel meer.  

Samen met God, hier, misschien vandaag nog een paar keer. Maar hoe vaak hebben we het niet, dat God níet het uitgangspunt is van alles, en ons doel!? Hoe ontzettend makkelijk leven wij niet los van de Heere God. Bij wie kom je tegen, dat het werkelijk altijd gaat om Hem?  

Wie durft het, te zeggen: “o ja, ik God voor honderd procent lief en dat laat ik merken ook.”  

Wie durft het?
Wie durft het, te zeggen: “die ander, die heb ik net zo lief als mijzelf.”

Kijk, de vraag stellen, is haar beantwoorden. 

God liefhebben en de naaste, en dan ook nog de combinatie van die twee. Met je hart, met je leven. Ons falen blijft, ons leven lang, ons probleem. Wij, ellendelingen. En wat kunnen wij dan anders verwachten dan de toorn van God. Die ÁL Zijn liefde geeft en deze reactie krijgt.  

Máár, God zij gedankt door Jezus Christus, onze Heere! 

Dat is dan zo geweldig dat dat erachter aan mag komen. Want het gaat er hier niet om dat u straks de kerk uitgaat en in blinde wanhoop, -ik weet niet waarheen verdwijnt-. Het gaat erom dat u zegt van: ‘inderdaad, nee, van ons is het niet te verwachten! Maar God, dóór Jezus Christus, Hij, wat een ongelooflijke liefde, wat een wonder.  

Hij Die volmaakt was. Hij Die werkelijk in héél Zijn leven, nóóít tegen de wil van God inging. Het is ons niet in te denken wat de Heere Christus in Zijn leven gedaan heeft. Het is niet in te denken wat Hij als Jongetje van 4 en 5 en 6 en 7, dat Hij nooít een keertje íets fout heeft gedaan. Bestaat toch niet. Dat kan haast niet. En Hij deed het nóóit! Het was áltijd volmaakt!  

En die Redder, is de Redder van ons en onze kinderen. Hij is de Enige Die in onze volstrekt hopeloze situatie, honderd procent hoop biedt. En dan niet die hoop van, ‘nou laten we het maar hopen en we zien wel waar het schip strandt’. Nee, de zekerheid, van de redding! 

Door Zijn Geest, ben je gelóvende ellendeling. Het is weer TG LT, het één én het ander. Er is bij die gelovende, écht verlangen naar die liefde voor God en naar het leven met Hem. En naar de goede omgang met de naaste. Maar het blijft zo krummelen. Het blijft zo … Maar met al dat gekrummel is daar die bemoediging, door Jezus Christus.  

Het komt goed, dankzij Mij!  

Ellendeling die gelooft, leef tóch getroost! Getroost vanwege Mij, Christus!  

Dan het laatste. God troost gelovende ellendelingen, via kennis van zichzelf.  

Broeders en zusters, Antwoord 5. ‘Kunt u dit alles volbrengen?’ En dan knált het er als het ware in, NEE!  

Antwoord 5 is alleen maar te belijden door iemand die gelóóft. Want iemand die niet gelooft, die zegt: ‘nou, dat valt niet tegen, ik kan dat aardig goed. Ja, ik wil best erkennen dat er een keer iets misgaat … 

Ik heb ooit een catechisant gehad, kwam van buiten de kerk. En die ging tijdenlang op privécatechisatie. Toen kwam het moment dat er ook hier eens over doorgepraat werd. Toen zei die: “Jezus Christus álles, ik niks? De laatste keer dat ik kom.” Ik heb hem niet weer gezien. Dat ging hem te ver! 

Kunt u dit alles volbrengen? Hij zei van, ‘tuurlijk maak ik wel eens fouten, maar dat doe ik één keer, hóógstens twee keer, en dan doe ik het niet weer’. Dus Christus nodig? Nee hoor, voor mij niet. 

Je kunt dit alleen belijden in het geloof dat door de Heilige Geest wordt gewerkt. Iemand die zich heeft laten onderwijzen door die Geest. En die, -al schrik je d’r elke keer weer van, van dat Antwoord- die toch weigert ook maar iets af te doen van dat radicale, dat absolute. Want Gód zegt het. God Zélf maakt mij duidelijk, hoe het zit naar mijn aard, van nature, vanuit mijzelf, zoals ik van God vervreemd ben. Weg uit het paradijs.  

En dan in heel veel gevallen, de kinderen hier, die horen dat misschien al vanaf ik weet niet hoe jong. Wat een zegen, dat ouders dít ook onderwijzen aan hun kinderen. Dat ouders, vanaf, zo gauw kinderen maar een béétje helder verstand hebben, een béétje beginnen te begrijpen, dat ze zeggen: “de Heere, Jezus Christus.”  

Ik weet wel, daar kun je ook de verkeerde kant mee op gaan, je kunt ook catechisanten hebben die op elke vraag antwoordden: “de Heere, Jezus Christus.” Dan heb je in negen van de tien gevallen, toch gelijk. Nee, dat is de bedoeling niet.  

Maar wel dat juist, -want vaders en moeders moeten immers doorpraten, ook over zonde, en wat dat voor gevolgen heeft-. Maar dat ze dan altijd die stap verder zetten, in de richting van de Rédder. Want de zonde woont bij mij in.  

Inwoning. Met al die beroerde gevolgen. Opstand en haat tegen God. Afkeer van Hem en Zijn geboden. Want, wees maar eens eerlijk, hoe vaak heb je het niet, dat je bij een gebod van de HEERE toch denkt van, heb ik toch eigenlijk helemaal geen belang bij, ik zou toch veel liever willen … 

‘Wat niet mag is mooi …’ 

De zonde woont bij mij in. Dat is toch niet te veel gezegd, broeders en zusters, want je doet ’s avonds je avondgebed. Maar je ligt nog even wakker, hebt u dan alleen maar gedachten tot eer van God? Of kan er dan nog van alles doorheen gaan waarvan je denkt -als je je dat realiseert- wat ben ik een gelovende ellendeling. Hoe is het toch mogelijk, ik heb nét gebeden, en dan toch al weer dit en dat. Zelfs in onze dromen kan allerlei zondigheid voorkomen. Het zit erin, en het komt eruit ook.  

Het is diepe, diepe ellende.  

En nou is dat het wonder van het Evangelie, ook van ZONDAG 2, dat bij de diepste ellende, de rijkste troost is: Gods barmhartigheid in Jezus Christus!  

Al kun je je het soms zelfs niet eens voorstellen. Maar ik, ellendeling, die door God Zelf tot geloven gebracht is, mag in Gods ogen zijn, wat Christus is. ‘Ik zie je, als Mijn geliefde kind’. 

Juist bij dit zwaarste, wordt duidelijk Wie Jezus Christus is, en wat genade is, en wat verzoening is, dankzij Hem. Als ik mijzelf heb leren kennen, dan is er maar één reden over om te juichen, en dat is te juichen óver Jezus Christus, óver God, en over de Heilige Geest.  

Elke dag, mag ik vertrouwen, uit blijven gaan van ZONDAG 1, mag ik smeken om de Heilige Geest. 

O God, wees mij, ellendeling, genadig. 

En dan hoor je het niet. Maar dan is het antwoord: ‘ach kind, kom maar bij Mij, Ik troost je, blijf bij Mij. 

AMEN