Preek Handelingen 4:24-30

Print Friendly, PDF & Email

Preek Handelingen 4:24-30
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Mariënberg, 07.07.2019 

Liturgie

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 124:1, 2, 3
  • Tien Woorden
  • Psalm 119: 10, 11, 12
  • Gebed
  • Psalm 37:5
  • Lezen Handelingen 4:1-23
  • Tekst HANDELINGEN 4:24-30
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 132 :1, 2, 3, 4, 5, 6
  • Gebed
  • Dienst van de offeranden
  • Psalm 132:7, 8, 9, 10
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus,  

Bidden, ja – dat doe je toch altijd? Elke dag: bidden. Makkelijk? Moeilijk? Wat gaat het bij ons vaak op heel verschillende manieren. Er kunnen tijden zijn dat je werkelijk de HEERE vurig aanloopt, ouderwets gezegd. Dat je niet alleen maar bij het eten, maar ook op andere momenten werkelijk het contact met de HEERE zoekt.  

En er kunnen andere momenten zijn, dat het allemaal op een heel laag pitje staat: ‘gisteravond, nee, heb ik niet gebeden, want ik was zo moe, ik lag nog maar net en toen sliep ik al.’ 

En altijd weer bij het bidden: ‘ja maar, ik ben ik, met al mijn zonden en gebreken, en God is de Heilige en Hem aanspreken, dat is ook geen kleinigheid, en durf ik dat dan wel en mag ik dat dan wel?’ 

Al die zaken vanmorgen, want onze tekst is ook een gebed. En wat is het een zegen, broeders en zusters, dat er in de Bijbel een heleboel gebeden staan!  

Denk alleen maar aan al die Psalmen, maar daarnaast ook nog gebeden van Paulus, aan het begin van zijn brieven. Maar ook wel van andere mensen: Daniël, Nehemia, en hier in Handelingen van hen die Christus volgen. En al die gebeden in de Bijbel die zijn er voor om ons ook verder te helpen voor ons eigen bidden.  

Het heeft veel voor om er ook aan te wennen dat je in je eigen bidden zinnen en woorden terughaalt vanuit het Woord van God, die Hij Zelf in die Bijbel heeft opgenomen. Dat is soms wel eens wat moeilijk, want het is vaak een taalgebruik wat wij ook niet meteen in onze dagelijkse taal hebben. Maar toch, je mag het zo overnemen en je gebed krijgt meteen een bepaald niveau. Als je vanuit het Woord van God bidt. 

Daarom wil ik u vanmorgen naar aanleiding van het gebed in onze tekst, het Woord van de HEERE laten horen onder het thema: 

God hoort het gebed van de mensen die Christus volgen, 

1) de aanspraak van dat gebed 

2) de basis voor dat gebed  

3) de vragen in dat gebed 

1) God hóórt het gebed van die mensen die Christus volgen. In de eerste plaats de aanspraak van dat gebed.  

Hij wás kreupel, verlamd. Hij kan weer lópen en spríngen! Want, Jezus uit Nazareth!  De Gezalfde is ‘de Dokter’. En dan worden Petrus en Johannes gearresteerd, door mensen die zelf ervan overtuigd zijn dat zij God dienen. Maar die, ook na Pinksteren, nog steeds weigeren om te geloven dat Jézus redt.  

Er zou na Pinksteren, en helemaal na dit wonder nu weer van Petrus en Johannes om zo te zeggen, en na alles wat Petrus naar voren brengt, er zou toch belijdenis van schuld moeten komen? Net als op de eerste Pinksterdag, toen die mensen zeiden: ‘wat moeten we nou doen dan?’ Toen zei Petrus ook: ‘jullie hebben Hem, Die God gestuurd heeft, jullie hebben Hem gekruisigd en gedood.  

‘Wat moeten we doen?’ Dat schuld belijden zou het Sanhedrin ook gedaan moeten hebben. De feiten zijn toch duidelijk? De woorden van God zijn toch helder?  

Maar wat gebeurt er? Precies het andere. Ze gaan steeds feller tegen Jezus in en tegen de mensen die het van Jezus verwachten. Dreigen: ‘als jullie niet ophouden, hè, om het aldoor maar over Hem te hebben, denk erom, dan krijg je ervan langs.’  

Ze worden eerst gearresteerd, dan die dreigementen en dan … Dan niks meer, dat is zo wonderlijk, het blijft bij die dreigementen, die in feite lege woorden zijn. Dat blijkt ook wel als Petrus zegt van: ‘denk nou even na, moeten we nu naar jullie luisteren of naar God? Wat is belangrijker?’ 

Het is God Zelf die Zijn apostelen hier zo beschermt, dat het Sanhedrin met de mond vol tanden staat en ze vrijuit laat gaan. En dan gaan ze terug naar ‘eigen volk’, naar de eigen mensen.  

En hoe dat precies is? Of daar op dat moment de gemeente bij elkaar is of dat er een aantal gemeenteleden bij elkaar zijn, dat is niet duidelijk. Maar ze gaan terug naar hun eigen mensen. Naar mensen die ook zeggen: ‘Jezus is het! Hij alleen, de Zoon van God Die redt!’ En dan vertellen ze natuurlijk alles wat er gebeurd is. ‘Sanhedrin zei zus en wij zeiden zo, en toen zeiden zij weer…’ En natuurlijk gaan ze daarna bidden. 

Natuurlijk?? Daar is helemaal niks natuurlijks aan. Dat ze gaan bidden is ook echt weer dat wonderwerk van God, de Heilige Geest. Wij beseffen dat ook lang niet altijd, want ja, bidden, nou nogal logisch. Straks gaan we eten, neem ik aan, en dan: ‘bidden jongens, handen vouwen.’ Zeg nooit daarbij: ‘logisch toch?’ Want dat wij tot bidden gebracht wórden – waarom zou je bidden? Of je nou wel bidt of niet bidt, dat eten dat krijg je binnen en dat doet z’n werk wel, neem ik aan.  

Dat wij bidden, broeders en zusters, is al een werk van God, de Heilige Geest. Die brengt ons daartoe. Dat was toen daar bij Petrus en Johannes en bij die mensen ook zo. Niet van: ja, nou ja, ‘vanzelf’. Nee, God de Heilige Geest! En als u straks bidt, -dat kun je natuurlijk nooit elke keer je realiseren-, maar als u straks aan tafel gaat en zegt van: ‘handen vouwen, ogen dicht’, is het misschien goed even stil te zijn en tegen mekaar te zeggen, als je met meer mensen bent: ‘kijk, dit is dankzij het werk van God. God leert ons, God brengt ons ertoe om te gaan bidden. Om te gaan danken en om te gaan vragen.’  

En dan beginnen ze in Jeruzalem op een wat bijzondere manier. Dat kun je in de bijbel niet meteen herkennen. Maar er staat in vers 24: ‘en ze zeiden: Heere u bent de God enzovoort’. Dat woordje Heere, dat is hier een ander woord dan wat wij altijd hebben. Misschien is het vanaf de preekstoel al eens gezegd ‘kurios’. Oudere mensen weten dat vast nog wel ‘kurios’ = Heere. Net als ‘Kuriakè’ en zo. Dat is (huis) van de Heere.  

Maar hier staat een ander woord. Hier staat in het Grieks, -hoeft u niet te onthouden-, het woord ‘despotès’, daar zit het woord despoot in. Dat is bij ons helemaal geen best woord, maar de betekenis ervan is, dat de Heere ‘Machthebber’ is, Heerser. Kurios betekent ‘Eigenaar, Meester’. Hier gaat het vooral om Zijn macht.  

Hij heeft Zijn macht laten zien bij die genezing. Hij heeft zijn macht laten zien dat de apostelen Petrus en Johannes konden spreken voor het Sanhedrin. En hij laat zijn macht zien, dat ze wel dreigingen over zich heen krijgen, maar toch weer vrij naar huis kunnen gaan. Dus heel bewust hier dat woord: ‘Machthebber’. Deze belijdenis klinkt daarin: Hij, tot Wie wij nu bidden, heeft inderdaad alles onder controle. Het is maar niet van: dat overkomt ons. Nee, God staat daarboven, de Schepper van alles. Dat erkennen zij: Hij, Die hemel en aarde gemaakt heeft en alles wat daarin is. 

Maar Hij is ook Degene Die alles regeert. Hij is de Heerser om ervoor te zorgen dat Zijn zaak zal doorgaan en daar wil Hij Petrus en Johannes nog voor blijven gebruiken. Altijd weer is dat de kern van de zaak. De Heere Jezus is naar de hemel gegaan om verder te werken en daar is Hij nu mee bezig. Dat zie je dan ook in dat hele boek Handelingen: het gaat maar door! 

U ziet dat ook, als u in geloof naar uw eigen leven kijkt. Naar het gemeenteleven. De Heere gaat door. En dat heeft alles te maken met PSALM 2. Die PSALM 2 komt in dat gebed naar voren. Die psalm, die -bij monde van David, Uw knecht- gezegd heeft: … En dan moet je dit even in de gaten hebben: als in het Nieuwe Testament een tekst uit het Oude wordt aangehaald, dan is dat nooit die tekst alleen, want in de tijd van de apostelen hadden ze nog geen tekstverzen. Wij zeggen altijd heel simpel: ‘kijk, dat staat in Handelingen 4 vers 24’. Opzoeken hup-hup-, Handelingen 4 vers 24. Eén vers. Dat konden ze in de tijd van de bijbel niet doen. Niemand kon zeggen: Handelingen 4, want Handelingen 4 bestond niet en verzen hadden ze helemaal niet. Het was gewoon, dat hele Bijbelboek.  

Psalmen was dan iets duidelijker, want die hadden ze wel. Dit was die psalm van David PSALM 2. Maar dan ging het om, niet maar om dat vers alleen dat hier geciteerd wordt, maar dan gaat het om die hele PSALM. Dus elke keer als u in het Nieuwe Testament een citaat hebt uit het Oude, pak dan een heel stuk daar omheen. Niet alleen maar de tekst, maar alles eromheen. Hier, twee verzen uit PSALM 2, maar dat betekent dus, dat verwezen wordt naar die héle psalm. Hier pakken ze er even alleen een kerntekst uit. Want anders moet je de hele psalm citeren. En dat konden ze ook wel, maar dat doen ze niet. Een paar verzen, maar het gaat om het geheel! 

Duizend jaar geleden heeft David dit al gezegd. Duizend jaar geleden kreeg het volk van God te horen: ‘waarom woeden de volken, waarom zijn de natiën bezig in ijdelheid? De Heere lacht daarom!’ Dus de mensen in de tijd van David mochten weten, Ammon en Moab en de Filistijnen, die kunnen wel wat willen, maar God staat erboven en God heeft zijn gezalfde gesteld! Dat is in de eerste plaats koning David, vervolgens mag je denken in de richting van Koning Christus.  

Maar je kunt tegen God niet op. God regeert, in de tijd van David. Later in de tijd van Petrus en Johannes. Precies hetzelfde, PSALM 2 geldt ook dán. Want PSALM 2 is Woord van God en dat blijft altijd geldig, tot op de dag van vandaag. God regeert, door Zijn Zoon. Die heeft Hij aangesteld. En denk dan ook aan het laatste vers van die psalm: ‘en zalig zijn zij die schuilen aan Zijn hart. Zalig zijn zij die Christus volgen.’ 

Nog steeds is Zijn Woord actueel en nog steeds is het voor ons van belang om daar ja en amen op te zeggen, om daar positief op te reageren.  

2) Het tweede. God hoort het gebed van de mensen die Christus volgen, de basis voor dat gebed. Ik heb dat al genoemd, dat is dus die tweede psalm: God is Koning. Het is zinloos om tegen God in opstand te komen. PSALM 2: God stelt zijn koning aan en Hij werkt via die koning. Zijn gezalfde/ Gezalfde. De plannen die God heeft, gaan altijd door. PSALM 2: God bereikt zijn doel. God redt mensen, God brengt mensen zover.  ‘Kus de zoon/ Zoon’, dat betekent: onderwerp je aan die Zoon en je wordt gered. En je eert God. Dan kwam ook dat punt van het lachen in die Psalm aan de orde. Het is niet alleen zinloos, om je tegen God te verzetten. Het is zelfs belachelijk, een Goddelijke lach. Er is maar één ding wat telt: onderwerp je aan Hem.  

Na Pinksteren is die Psalm heel nadrukkelijk gericht op het Joodse volk dat die Psalm kent. ‘Volk van God, die aangestelde Koning is Jezus uit Nazareth! Hem moet je dienen!’ Maar wat gebeurt er? En dat was al zo in de tijd van David, toen hij voor het eerst gezongen werd, volken kwamen tegen David in opstand. Wat heeft David niet moeten vechten. Elke keer maar weer. Wat mocht hij ook vaak overwinnen.  

En nu bij Petrus en Johannes is er weer verzet, nu tegen de Gezalfde van God, de Zoon van David. Tegen de plannen van God. Voordat dat binnenkomt bij de Joden moet de Heilige Geest een wonderwerk doen. Want is Jezus niet de Gekruisigde? Ja, Hij is de  

Gekruisigde! Dat betekent dan toch, dat hij de Gevloekte is? Nee, dat betekent niet dat Hij van Zichzelf de Gevloekte is. Ja, Hij is gevloekt, om óns. Maar van Zichzelf blijft Hij de Zoon van God. Gods Gezalfde Koning, die opstond! En Die vanuit de hemel, nu genezend en sprekend, via de apostelen aan het werk is.  

Tegenwerking van alle kanten. Tijd van David. Hier, Herodes, Pilatus, Romeinen, stammen van Israël, mensen die heel belangrijk zijn, en gewone mensen. Maar tegenwerking is bij voorbaat zinloos. Je kunt tegen God nooit op. Dat is een boodschap, broeders en zusters, die ook in deze tijd zo geweldig mag indalen bij ons. Je kunt tegen God nooit op! En kijk dan in deze wereld wat er allemaal gebeurt, maar Gods plannen gaan door! Alleen, als je je tegen Hem blijft verzetten, komt het oordeel tenslotte. 

PSALM 2 is een hele scherpe Psalm, om zo te zeggen. En helemaal als die gezongen wordt ná Pinksteren. Want die nieuwe gemeenschap met mensen die Christus volgen, die staat lijnrecht tegenover het Sanhedrin. Zij die telkens weer in hun gebed vragen om het werk van God, de Heilige Geest, zij sporen helemaal niet meer met Farizeeën en Sadduceeën en de leiders van Israël.  

En dat is waar het om draait in Handelingen: je moet dáár zijn, waar Christus Koning is en waar Christus als Koning wordt erkend! Dat is voor ons ook altijd weer het punt. Je moet daar zijn waar naar Koning Christus geluisterd wordt! Dat blijft onze opdracht. Om samen verder te gaan met mensen die Christus als Koning erkennen. Kun je nog van alles van vinden, en moeite hebben en verdriet en pijn. Maar dat is waar het om gaat, de zaak van Christus!  

In de tijd van Petrus en Johannes had dat grote gevolgen. Ze werden gearresteerd. Dreigingen … En dan kun je zeggen: ze werden ook weer vrijgelaten. Inderdaad, maar de dreiging bleef wel. Want even later, heb je de dood van Stefanus. Omdat hij Koning Christus volgt. Een poosje later heb je de vervolging onder leiding van Saulus.  

Christus volgen is niet van, ‘ooh, wat gaat het allemaal mooi en fijn en goed.’ Christus volgen, wat kun je dan veel over je heen krijgen! Maar dan weet je ook, ‘als ik bij Hem schuil, als ik toch Koning Christus wil blijven erkennen, zoals Hij Zich in zijn woord aan ons bekend maakt, dan ben ik veilig.’  

Want het schokkende, broeders en zusters, in Handelingen 4, is dat punt dat bij die tegenstanders van de Gezalfde, dat daarbij genoemd worden: de stammen van Ísraël. Gods eigen volk is tegen God in opstand! Door Jezus uit Nazareth niet te erkennen als de Gezalfde, als Degene aan Wie je je moet onderwerpen. En dan is het ook weer zo bijzonder, dat de HEERE nog uit is op hen, Hij zoekt Zijn volk hier nog op.  

Pinksteren – preek van Petrus. Om maar vanuit dat oude bondsvolk mensen te trekken. Drieduizend! En dan houdt het nog niet op. Dan krijg je de genezing van die verlamde, die kreupele. Dat is wéér om dat volk van God te trekken. Met de toespraak van Petrus. En dan staan ze voor het Sanhedrin, en dat is weer om die mensen die zo radicaal tegen zijn, toch nog weer eens te laten horen: ‘mensen, jullie hebben het mis. Kijk maar in Gods eigen Woord zelf, PSALM 2. Onderwerp je aan Christus!’  

Tegenstand tegen God is er altijd geweest, en zal ook altijd blijven. En als je het meemaakt, zijn het heel vaak moeilijke dingen. Maar, hoe het dan ook gaat, elke tegenstander van God is wel aan God onderworpen en staat zelfs in Zijn dienst. Ze worden gebruikt door God. Vanuit die zekerheid mag u bidden. Ook in verband met ons eigen land, ons eigen volk. Bidden, ook in verband met de wereld. Altijd maar weer bidden om de voortgang van de zaak van God.  

Wij mensen, wij kunnen de toekomst niet inkijken. En ouderen, dat merk je, dat hoor je vaak, wat is er een zorg over kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Dat je denkt, hoe komt dit toch? Dit gaat niet goed. En je loopt God aan.  

Maar dan is één ding altijd zeker, God regeert en God laat de gemeente van de Gezalfde Jezus er nooit alleen voorstaan. Schuil maar bij Hem en hoe het dan gaat met ons nageslacht en met de mensen om ons heen, daar hebben wij uiteindelijk geen enkele grip op. Maar we mogen blijven bidden.  

En als wij schuilen bij Hem dan betekent dat ook, dat wij schuilen bij de kerk, onze moeder. Schuilen in de gemeente waar het Woord van Christus klinkt en waar het Woord van Christus gebruikt wordt. En dan gaat het er altijd om dat Christus’ zaak het belangrijkste is.  

Dat is zo’n punt waar wij ons gebed wel eens op mogen toetsen. Hoeveel zijn we in ons bidden bezig met ónze dingen? En hoeveel zijn we in ons bidden bezig met de dingen van de HEERE/ Heere? Dat dat in het gebed aan de orde komt.  

3) Dat blijkt ook uit het laatste punt. God hoort het gebed van de mensen die Christus volgen. De vragen in dat gebed. Er zijn eigenlijk twee vragen in. De éérste vraag is: HEERE, wilt u alles in de peiling hebben en wilt U het in de peiling houden? En naar dat U wijs bent wilt U dan actie ondernemen?’ Alles in verband met de voortgang van het evangelie.  

Want hoe zou u reageren op bedreiging? Misschien kent u dat wel, buren die op de een of andere manier dreiging uitstralen. Je dwars proberen te zitten. En dan kan onze reactie zomaar zijn van: angst en maar niks meer zeggen.  

Hier is aan de orde: maar het evangelie moet wel voortgaan! Ondanks de bedreigingen van het Sanhedrin! En dan vragen de apostelen niet: ‘HEERE, wilt U ervoor zorgen dat wij beschermd blijven en dat het allemaal mooi en goed gaat en hinder van niemand hebben.’ Nee, dan is het: ‘laat merken dat U Koning bent. En dat Uw zaak, de zaak van het reddingswerk van Jezus Christus in deze wereld, dat die verder gaat!’  

Eigenlijk is hier aan de orde ZONDAG 48 van de Catechismus. ‘Uw koninkrijk kome’. En dat begint altijd bij jezelf. ‘Regeert U óns door Uw Woord en Geest, dat wíj óns aan U onderwerpen’. En dan pas naar buiten toe: ‘bewaar en vermeerder uw kerk, enzovoort.’ ‘Uw koninkrijk kome.’ 

En dan de twééde vraag, ook van Petrus en Johannes en de mensen die daar in gebed zijn: ‘geeft U ons alstUblieft ook wat nodig is om onze volksgenoten te blijven bevelen Koning Christus te erkennen. Geef ons Uw kracht, opdat we vrijmoedig durven spreken.’  

‘Vrijmoedig’, dat is typisch een woord in Handelingen. In het laatste vers van Handelingen hoor je het weer. Handelingen 28 vers 31, dat Paulus ‘vrijmoedig’ het Evangelie laat horen. Moet je nagaan, hij zit daar op dat ogenblik vast in Rome. Wel een beetje vrijheid, maar hij heeft huisarrest, zeg maar. Het duurde een hele tijd. Eigenlijk is hij gevangen, maar hij blijft vrijmoedig in alles wat hij zegt over de Gezalfde Koning.  

Hoe kun je vrijmoedig zijn, als mensen op je afkomen? Kijk, vrijmoedigheid heeft alles te maken met het vaste geloof: ‘maar Christus regeert en als Christus mij opdrachten geeft mag ik vrijmoedig zijn, want dan weet ik bij voorbaat dat het goed komt.’ Zelfs zo’n Stefanus mag dat zeggen, vlak voordat hij gestenigd wordt. ‘Het komt goed’, want tenslotte komt hij Thuis. Vrijmoedig, ook al kost het… ‘t Zal ons misschien niet meteen ons leven kosten. Het kan wel familie en vrienden kosten, maar geeft U het ons, dat we Uw zaak het hoogste hebben en het hoogste houden. Dat we niets afdoen van en niks bij doen aan dat Woord van God.  

Bidden met het oog op: ‘o, God, vervult Ú toch Úw beloften!’ Bidden opdat de verkondiging doorgaat en dat het zelfs bekrachtigd wordt, dat is het laatste vers, via nog meer wondertekenen in die tijd. De Heere Jezus had dat voor Zijn hemelvaart al gezegd, Marcus 16, dat er bij de verkondiging van het evangelie ook van alles en nog wat aan wonderen en tekenen zou zijn, soms. De zakdoek van Paulus was bijvoorbeeld al genoeg voor een wonder van genezing. Staat verderop in Handelingen. En hoeveel wonderen staan er nog niet meer. Denk maar aan die gifslang, die Paulus bijt, en hij heeft nergens last van. Wonderen en tekenen als bewijzen van de macht van Koning Christus. Tekenen ook van Zijn rijk, het zal uiteindelijk allemaal goed komen!  

En dat is voor ons, als wij zo’n gebed in Handelingen vier lezen, van belang. We horen van Christus. We geloven de regering van God. En we worden ertoe gedrongen om zelf ook te blijven vragen dat de zaak van Gods Gezalfde verder gaat. Hier in Mariënberg/ …, in Nederland, en over heel de wereld. En dan maar altijd weer uitgaan van die tweede PSALM. God regeert. U mag bidden tot Hem, Die heerst, tot Hem Die hoort! 

AMEN