Preek Zondag 47

Print Friendly, PDF & Email

Preek Zondag 47
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Bedum, 28.07.2019

Liturgie

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 145:1,2,3
  • Gebed
  • Psalm 97:1,2
  • Lezen PSALM 148
  • Tekst ZONDAG 47
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 97:3,4,5
  • ApGelBel
  • Psalm 99:2,4
  • Gebed
  • Dienst der offeranden
  • Psalm 145:4,5
  • Zegen (Liturgie)

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus,  

Waarvoor heeft de Heere God indertijd mensen geschapen? Dat is, omdat Hij wilde dat die mensen Hem zouden éren. Voor Hém zouden leven.  

Waarvoor is, onze Heere Jezus Christus naar de aarde gekomen? Dat is, opdat zondige mensen tóch weer God zouden éren. Hém zouden dienen.  

Zowel het doel van het scheppingswerk, als het doel van het herscheppingswerk, is hetzelfde. Eér voor God!  

En daarom, en dat is een bewijs van Zijn grote genade en liefde. Daarom heeft de Heere Jezus de gelovigen als eerste, -en het is de kern van alles, de basis van alle beden die daarna komen-, heeft de gelovigen leren bidden: “Uw Naam worde geheiligd.”  

En over dat bidden aan de hand van de belijdenis van de kerk in Zondag 47, wil ik u het Woord van de HEERE bedienen. 

Het thema is:  

Vader, maak ons tot kinderen, die U eren! 

  1. in alles 
  2. altijd
  3. overal

1) Maar wat is dat nou eigenlijk? En hoe doe je dat nou, eren. Dat is, dat je laat merken  
    dat je iemand hoog hebt, dat je iemand belangrijk vindt. Waardevol, dat je respect voor zo iemand hebt.  

Als je thuiskomt uit het zwembad, dat je dan zegt: “Dag mam.” Je loopt haar niet voorbij met een grom, alsof ze niet bestaat. Het laatste dat is: beledigen, onteren. Maar in dat eerste laat je merken, ik zie haar, ik erken haar. Zij is mama! Je éért haar.  

Ja, en dan gaat ‘God eren’ natuurlijk nog veel, en veel verder. Want God is God. God is heilig!  

Denk maar aan dat visioen met de roeping van Jesaja, Jesaja 6. Oneindig ver verheven boven Zijn schepselen. Goddelijk majesteitelijk. ‘Heilig, Heilig, Heilig’. Drie keer. Waarom drie keer? Wij zouden dat noemen, de overtreffende trap. Een superlatief. Dat betekent eigenlijk: ALLERheiligst. God is met niets of niemand te vergelijken. God is altijd groter en machtiger en verhevener. Werkelijk superieur boven alles!  

Maar dan zit je weer met die vraag: ‘hoe eer je dan nu God, die heilig is?’ U bent hier gekomen, als je er over nagedacht hebt, u bent hier gekomen – om Hem te eren! Dat doe je door er honderd procent bij te zijn. Je zingt, en elk woord daar ben je je van bewust. Het gaat je alléén maar om Hem. Als je om genade smeekt, dan meen je dat. Als je dankt, dan doe je dat van harte. Je hoort als het ware met ‘olifantenoren’.  

Ja, dat is eren.  

Maar doen we dat? Wie kan dat? Wie krijgt dat voor elkaar, dat ie een hele eredienst, en dat is dan misschien maximaal anderhalf uur eens een keer. Wie krijgt het voor elkaar dat ie een hele eredienst honderd procent gericht is op God?  

En dat is dan de eredienst. Dat is al bijzonder. Maar nou de rest van de week. In ALLES God eren. Wat komt daar nou van terecht? Wat kan er bij ons, zondige grote mensen, en zondige kinderen van terecht komen.  

Jesaja, die kan ook alleen maar zeggen, als hij de HEERE ziet zitten op Zijn troon, met die serafs daaromheen, hij kan alleen maar zeggen: “nou is het over en uit voor mij, afgelopen. Ik zondaar, ik heb de verheven God gezien, ik zal nu sterven.” En dat is terecht. En juist daarna dat hele mooie. Dan komt daar die engel, die met die tang een gloeiende kool van het altaar neemt, en dan zegt de HEERE, via die engel van: “uw zonde verzoend.” 

Dat kan dus. Dat tóch die zondaar in dienst van God komt. Een Jesaja, voor dat speciale profetenwerk. Wij gewoon met elkaar, voor dat heel ‘gewone’ God eren. Dat kan. Terwijl God weet, dat wij het niet kunnen. Gloeiende kool, zonde verzoend. Dat is, als je de laatste regel van onze Schriftlezing ziet, misschien lees je er zowat overheen, ‘Hij heeft de hoorn van Zijn volk opgeheven, de roem van als z’n gunstelingen, van de Israëlieten. Het volk dat nabij Hém is’. Het volk dat dicht bij God, de HEERE is. Dat kan immers alleen maar, omdat God een genadig God is. Dankzij de Gezalfde, Jezus. Dankzij Jezus, die door God Zelf gestuurd is. Niemand had erom gevraagd. Dood in zonden en misdaden, maar God in Zijn genade, Zijn Zoon. Díe Zaligmaker leert u bidden: ‘Uw Naam worde geheiligd’. Geef dat wij U eren.  

En dan is dat toch wel een wat bijzondere Psalm, die Psalm 148. Want dan wordt aangegeven dat dat eren niet alleen maar door de mensen gebeurt, maar werkelijk door heel de schepping. Er zijn miljoenen goede engelen, die God eren. Er zijn in de hemel, al die gestorven gelovigen, die niets anders doen dan God eren. Nou weet ik niet hoe dat gaat, maar dat is waar ze daar voor zijn. Vanaf Adam, tot nu en verder.  

Maar – ook die schepping zelf. Zon, maan, sterren, waterwolken, ze eren God door te doen waarvoor ze geschapen zijn. Die zon, we hebben de laatste week genoeg zon gezien, denk ik. En dan loop je wel eens het risico om er wat sacherijnig tegenaan te kijken van: ‘nou, kwam er nou maar eens een dikke wolk voor’. Nee zon, brandende zon, geschapen tot eer van God. Die zon die brandt, ja dat is waarvoor de zon geschapen is. Die zon geeft aan, nu is het zo laat, dan is het zo laat, daarvoor is die geschapen. En die zon die komt de volgende dag terug. Ja, daarvoor is die geschapen. Want het is dag en het wordt nacht en het wordt weer dag.  

En zo is het met alles.  

Wat is God gróót, dat Hij dat allemaal geschapen heeft op zo’n manier. Wat is God gróót, dat Hij dat ook allemaal stuurt en regeert. Bliksem, hagel, sneeuw, mist, stormen; bergen, heuvels; fruitbomen, bomen voor het hout; saurussen, andere grote zeedieren, wilde dieren, getemde dieren, kruipende dieren, gevleugelde, groot en klein. Alles geschapen én onderhouden, tot eer van God.  

Het kan zijn dat je op school helemaal geen zin hebt aan biologie. -Het is gelukkig ook vakantie-. Maar je moet over een poosje wel weer heen waarschijnlijk. En dan krijg je dat vak weer, ‘biologie’. Met Psalm 148 erbij wordt biologie één van de mooiste vakken die er is. Want bij alles wat behandeld wordt, kun je daar achteraan aanzetten: tot Gods eer.  

En dan heb ik het nog niet eens gehad, en dat staat ook in die Psalm, over de mensen. Belangrijke mensen, maar ook gewone mensen. Iedereen, alle volken. Jongens, meisjes, maakt niet uit, oude mensen, jonge mensen. En of je nou thuisblijft in de vakantie, of dat je heel ver weg gaat en allerlei andere dingen ziet. Je hoeft maar naar jezélf te kijken. Je hoeft maar naar een ánder te kijken, en je hoeft maar om je héén te kijken.  

HALLELUJA! Loof de HEERE. De HEERE, de Heilige, de Verhevene erkennen. Roemen, prijzen. In ál Zijn werken zie je verheven verhevenheid. De catechismus noemt een aantal van die dingen: almacht, goedheid enzovoort.  

Almacht in de natuur. Bloedheet. Wat kan het lastig zijn voor sommige mensen, moeilijk zelfs. Maar wel: Gods macht en majesteit. Almacht in de wereld. Trump en Johnson en Poetin en…, honderd procent aan Hem onderworpen.  

Wijsheid, Goddelijke wijsheid, voor ons absoluut niet te begrijpen. De wijsheid van Zijn verlossingswerk. Het sturen van Zijn eigen Zoon. Om aan het kruis te gaan, na een leven van gehoorzaamheid. Om op te staan, om naar de hemel te gaan. Niet te begrijpen, wel te geloven. Zo wijs is Hij, Die dankzij de Heere, Jezus Christus, voor ieder die gelooft, zijn of haar Vader is.  

Kijk, kinderen op aarde die snappen al heel vaak niet hun vader. Dat is toch soms ook helemaal hopeloos. Die vaders, ja, nou ja, dan denk je van, we moeten naar rechts. En wat doet vader? Rijdt naar links. “Maar dan komen we er toch niet!” Ja, maar vader weet die andere weg. O, we kwamen er dus wel. Dus zo dom was vader nou ook weer niet. Maar je begreep het niet. En dat is dan op deze aarde.  

Kinderen van de hemelse Vader. Nee, die begrijpen echt niet Gods wijsheid. Die eigen Zoon gestuurd, als Redder voor brutale misdadigers. De Catechismus geeft dat heel nadrukkelijk aan, God eren, dat begint en dat gaat door met áltijd maar weer eerlijk willen luisteren. Luisteren, blijven luisteren.  

U kent dat gezegde wel. ‘Je bent nooit te oud om te leren’. Nee, dat gaat altijd door. Er is hier niemand van de ouderen die kan zeggen: “ik ben nou de Bijbel vijfentwintig keer doorgekomen, ik leg hem nou in de kast, want ik weet het wel, echt wel hoor, ik weet het, geen probleem.” Onzin, want elke keer weer als zo’n oudere eerlijk is, bij elke keer dat je er doorheen komt, is het zo vaak dat hij zegt: ‘dit heb ik nog nooit eerder gelezen’. Jawel, hij had het al vijfentwintig keer gelezen, maar hij was er nog niet op gestuit, het was niet binnengekomen. En elke keer weer dan zegt hij, of zegt zij van: “O maar dan houdt dat dus verband met dit, had ik nog nooit gezien.” 

Het is het Woord van Gód. Het is niet een boekje wat wij uit het hoofd kunnen leren en in de grip kunnen hebben en ervan kunnen zeggen van: “ja, dit heb ik uit, het is klaar.” NOOIT. Het is het Woord van Gód. En daarom, hé, je bent ook nooit te jóng om te leren. Dat begint meteen al.  

Kind, als moeder er mee bezig is, en die vertelt wat. Ja, misschien zegt een kind weleens, dat hebt u nou al vijf keer gezegd mama. Dat zal waar zijn, maar als mama vijf keer dingen zegt, moet ze dat misschien wel tien keer zeggen, want dan pas: “oh ja, dat is ook zo, nou weet ik het wel.” Maar dan is er wel weer wat anders. Je hebt wat geleerd, en dan komt er nog weer wat bij en nog weer wat en dat gaat maar door. En dan is het niet alleen een zaak van het hoofd, maar dan is het ook een zaak van het hart. Nooit te oud, nooit te jong. Om te leren, God te eren.  

En lui zijn in het luisteren, dat is Hem beledigen. Want dan leer je Hem nooit kennen, zoals Hij echt is. Dan maak je daar een afgod van, want ons hart is een fabriek van afgoderij. Dat gaat heel makkelijk. Voordat we het weten hebben we al iets bedacht, nou God zal wel ongeveer zo zijn. Ja, maar lees dan eens wat er staat! Hoe zou je, los van Gods eigen Woord, weet kunnen hebben van Zijn goedheid.  

Als de kinderen straks thuis zijn, mogen ze in Psalm 119 gaan zoeken. Naar de tekst: ‘U bent goed en U doet goed.’ Dat zijn zeven woordjes en twee keer, de HEERE is goed. En dat staat in die Psalm 119, die aan alle kanten te maken heeft met verordeningen, geboden, bevelen, regels, en noem maar op. En dat is dus allemaal góed. Hadden wij niet kunnen bedenken. Want wij zitten dat in te vullen van: ja, al die verordeningen, al die regels, al die geboden, nou, leuk zeg. Gods goedheid, anders dan wat wij los van dat Woord, zelf gaan zitten in te vullen.  

En denk maar aan die andere bekende zin: ‘Loof de HEERE want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.’ Je bent nooit te jong om te leren. Psalm 136, daar staat het télkens weer in, dat refrein: ‘Loof de HEERE want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.’ ‘Loof de HEERE want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.’ ‘Loof de HEERE …’, houdt het dan nooit op?  

Goddank niet. Blijkbaar hebben, kinderen en grote mensen nodig, dat het telkens weer gezegd wordt. En net zo goed die andere dingen, -ga ik nu verder niet uitgebreid op in- die gerechtigheid, die barmhartigheid, en die betrouwbaarheid. En dan staat dat er niet eens bij, maar dan kun je dat wel toevoegen: en Zijn genade, en Zijn liefde, en Zijn trouw. 

Vader steeds beter leren kennen. De Heilige! Kijk, want als je op aarde je vader steeds beter leert kennen, dan loop je er tegenaan dat aan die man, daar ontbreekt toch wel een heleboel aan, en daar mankeert ook een heleboel aan, en hij deugt ook van geen kant. Nou ja, ook wel een beetje natuurlijk, maar: aardse vaders zijn zondige vaders. Maar de hemelse Vader is heilig.  

Vader steeds beter leren kennen, geeft voortdurend meer aanleiding om Hem te eren. Vaders werken steeds beter leren kennen. Wat Vader doet, geeft steeds meer aanleiding om Hem te eren: “Wat bent U…! U bent…! hoe bent U…!  

En dan heeft alles, broeders en zusters, met Vader te maken. En Vader heeft Zelf met alles te maken. Hoe groot, hoe wijs, hoe barmhartig, enzovoort, bent U!  

En begrijpt u nu waarom de Heere Jezus, in Zijn ongelooflijke liefde, ons deze bede als eerste heeft willen leren? Want wij brengen er zelf, vanuit onszelf helemaal niks van terecht. Dat is iets waar je ook intens verdrietig van kunt worden. Je wilt het wel, je wilt die héle eredienst er met kop en oren bij zijn. En je wilt, als je straks naar buiten gaat, en de rest van de dag, helemaal op God gericht zijn. En… 

En dan dat sméken! Want ja, je kunt natuurlijk heel makkelijk zeggen: “Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw …”. Wat heb je dan gezegd? Uw Naam worden geheiligd. Wilt Ú het toch alstUblieft doen! Wilt Ú ons maken tot kinderen die U kennen en die U dan gaan eren. Wíj staan met lege handen. Maar de HEERE die leert ons dat te erkennen. Met de belofte: dan zal God die lege handen vol maken. 

En dan blijft het hier op aarde, dat wij de inhoud van die eerste bede, werkelijk élke dag te bidden hebben. Want er is geen dag aan het eind waarvan je kunt zeggen: “Ha, dat zat goed in mekaar vandaag. Ik heb vandaag God hélemaal geëerd.” Nee.  

Ziet u ook uit,  

naar die toekomst,  

die nieuwe aarde,  

via de hemel? 

God eren zoals het past. 

2) Het tweede. Vader maak ons tot Uw kinderen, die U altijd eren. De catechismus  
    zegt, ‘ons hele leven.’ De catechismus is op grond van Gods Woord altijd eerlijk. Die zegt niet van: ‘nou ja, als je dat zo nu en dan eens doet, dan ben je toch al aardig bezig. Het kan natuurlijk altijd wel beter. Maar, nou, zo nu en dan, … Nee, nee, nee.  

Ons hele leven. Dát is het doel, voor wie van boven, opnieuw geboren is. Die blijvend verbonden is aan de Heere, Jezus Christus. Wij weten wat tegenwoordig het allerergste is, hè. Dat is ‘fomo’. ‘Fear of missing out’. Het is als je mobieltje het niet meer doet. Ja, dan is de wereld te klein, dan ben je hélemaal van de kaart, dan gaat alles… ja, nou … Dan bestaat het leven niet meer. Jij bestaat niet meer. 

Verbonden zijn aan Christus. Dát is waar het om gaat. Het doel van het leven is: ‘in verbondenheid met Christus’. En van Christus’ kant is daar nooit, dat die verbrokenheid er is. Dat er geen bereik meer zou zijn. Kijk van onze kant, ja, wíj sluiten dat wel eens af. Geen bereik, geen bereik voor God. Moet je nagaan wat je dan zegt. “Ik wil niet dat God mij meer bereikt.” Maar het doel is: áltijd in die verbondenheid Vader eren. 

Wij lopen hier ook weer zó vast, broeders en zusters. Vandaar dat deze bede ook betekent: wilt U ons met Uw Woord en Uw Geest blíjven bewerken. Wilt Ú doen wat wij niet kunnen. Want het gaat om eren, 1 Korinthe 10:31, ‘of je nou eet of drinkt, of wat ook maar doet, doe het tot eer van God’. Of je nou loopt, of fietst, of zit, of eet, of drinkt, of leest, of kijkt, of praat, of luistert, of vakantie viert, of eten kookt, of appt, of Facebooked, of… Doe het allemaal tot eer van God. 

Daar bidt u om. Dat Vaders Woord en Vaders Geest u leidt. Het is de erkenning hoe nodig het is -dat heb je geleerd van God, de Heilige Geest en vanuit het Woord zelf-, hoe nodig het is dat God Zélf actie onderneemt.  

Het is een sméékbede. 

En als we er niet om smeken, als we niet kennen de schrik die Jesaja kreeg. ‘Wee mij!’ Het was immers God zien en sterven. Als we die schrik niet kennen en dat smeken niet, dan moeten we ons afvragen of we inderdaad wel als kind van die almachtige wijze Vader ons gedragen. Je zegt het zomaar.  

Het gebeurt zelfs bij ouderen wel eens. “We moeten nog bidden, oh nou, dan doen we ‘het Onze Vader’ wel even.” Dat is natuurlijk volstrekt onmogelijk, vanwege de inhoud. En als je gaat begrijpen wat je eigenlijk vraagt, wordt alles heel anders. Want je vraagt om die radicale verandering. 

Want broeders en zusters, niet alleen die moslim in de stad, misschien hier in …….. Bedum wel. En die heiden van nog verder weg, die op KalBar, moet voor honderd procent bekeerd worden. Maar ook wij die als baby al gedoopt zijn. Bekeerd worden, opdat het inderdaad in ons leven gaat om God en Zijn eer, ALTIJD. In woorden, in daden, in gedachten.  

“O God, wees mij zondaar genadig, laat Uw goede Geest mij leiden elke dag, elk uur, zodat ik mijn leven daarop rícht.” 

De jongens, de jongeren, die hebben op de gemeentedag misschien wel met die luchtbuks mogen schieten. Waar ging het om? Goed richten. Want dan kwam je misschien wel in de roos. Je leven richten, dat is kuren, dát is het doel, dáár moet het heen.  

“Verander mij, zodat ik het wil en kan, met woorden en daden. Wat bent U almachtig, wat bent U wijs, wat bent U goed, geen tel bent U niet barmhartig. Wat bent U betrouwbaar voor honderd procent!  

3) Tenslotte. Vader maak ons tot Uw kinderen, die U overal eren. Want u bent  
    bijzondere mensen. Door God uitgekozen. Opdat via u, ook anderen over die Redder horen. Kijk, het is duidelijk dat wij weinig ínvloed op een ander kunnen uitoefenen. Wij kunnen er nóóit voor zorgen dat een ander God gaat eren.  

Maar God kan ons wel gebruiken. Denk maar aan 1 Petrus 3 en 1 Korinthe 7, die vrouw die tot geloof gekomen is. Het evangelie kwam ergens, bijvoorbeeld via Paulus. Vrouwen kwamen tot geloof en de mannen die lieten het erbij zitten. Wat zegt de apostel dan? Paulus of Petrus: leef dan op zo’n manier, dat die man daarvan merkt wat het betekent dat je de Heere eert. Mocht het zijn dat dat tot gevolg had dat die man ook tot geloof kwam.  

Net zoals in een buurt, waar je woont. Waar je gelovig kunt zijn, – ja, er kan gescholden worden, ‘die fienen’, ze kunnen er heel negatief tegenaan kijken. Maar het kan ook zijn dat de buurt of iemand van de buren zich verwondert. Zoals je vakantie viert en, nee dan gaat het niet alleen maar om de dingen die je níet doet. Maar dan gaat het juist om de dingen die je wél doet, in het positieve. “Ze zijn anders; hoor je, ze zingen elke avond.” 

God kán ons gebruiken. Of Hij dat doet, hangt van Hem af. Maar het punt is. Hij wil dat wij ons láten gebruiken. Dat hoort ook bij ‘Uw Naam worde geheiligd’.  

De Catechismus wijst dan nog op één punt. Wat ontzettend belangrijk is. Wij kunnen er helaas ook de reden van zijn, dat Gods Naam gelasterd wordt, beledigd, onteerd. Dat is wat, als je iemand ziet en je knoopt er een gesprekje mee aan, en hij zegt: “ja, ik ga morgen met vakantie.” Nou, ik zeg, morgen is het zondag, kun je ook wat beters doen misschien. Je zou naar de kerk kunnen gaan bijvoorbeeld. Hij zegt: “Meneer, naar de kerk gaan, ‘never-de-nooit-niet’! Als u weet wat ik meegemaakt heb met die kerkmensen!? Nou, dan… dikke huichelaars zijn het.”  

En of dat nou waar is of niet waar, -hoef ik niet te beoordelen, is niet aan de orde-. Maar het punt is, zo kán het gaan, dat Gods Naam gelasterd wordt vanwege … gelovigen. Waarbij je kunt afvragen of die zo gelovig zijn. Het zijn in elk geval kerkmensen.  

Wat komt het erop aan, ook gewoon in onze samenleving. En dan zijn wij geen pláátselijke gemeente meer. En dan is dat ‘gemeente zijn’ misschien wat lastig. Maar ieder op zijn eigen plek, woont in elk geval in de buurt van andere mensen. En hoe sta je dan bekend?  

Leven om God te eren. En waar dat het mogelijk is, praten om Hem te eren.  

Kinderen van Vader, die hóóg van Vader opgeven.  

Hallelu-de-Heere-God. Jullie moeten prijzen, de Heere God. 

Here, wij geloven, kom ons ongeloof te hulp. Opdat U tóch geëerd wordt, in alles, altijd, overal. 

En eens is het zover. 

AMEN