Preek Zondag 14

Print Friendly, PDF & Email

Preek Zondag 14
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Assen, 19.04.2020 

Liturgie

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 139:6,7
  • Gebed
  • Lezen
    • Lukas 1:26-35
    • Hebreeën 2:14-18
    • Hebreeën 4:11-16
  • Gezang 12:2,3
  • Lezen
    • Artikel 18 NGB
  • Tekst
    • Zondag 14
  • Bediening van het Woord
  • Gezang 12:4,5,6
  • Geloofsbelijdenis van Athanasius, art. 1-3, 27-40
  • Psalm 40:7
  • Gebed
  • Psalm 139:8
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus, hier, en in de verstrooiing, luisteraars, 

Liefde tussen twee kinderen van God. En dan dat wonderlijke geschenk krijgen van het zwanger mogen worden, een baby’tje mogen dragen, een geboorte, – dan sta je als het ware op heilige grond. Want je ziet, wonderen van Gód. Híj geeft dat nieuwe leven. En daarbij stilstaan, het zal je alleen maar meer verwonderen. Alleen, daar is niet alles mee gezegd. Het zijn zondige ouders, en die krijgen zondige kinderen.  

En in dát verband, ZONDAG 14. Want het is niet zo, dat we nu met elkaar stil moeten staan bij: ‘ja, zo is het met ons mensen, zondigheid en zonde, en als het ware, dat is dan het eind’, nee. En de samenvatting van de Heilige Schrift, die geeft ZONDAG 14, van dat heerlijke, dankzij de Middelaar, Jezus Christus. Zo mogen ouders die in Hem geloven, geheiligde ouders zijn. En ze mogen geheiligde, -je mag zelfs zeggen-, heilige kinderen van Hem verwachten én krijgen.  

Ik wil u aan de hand van die ZONDAG het Woord van de HEERE laten horen onder het thema: 

God troost u en jou, – we zitten immers in de Catechismus, dat troostboek-, met de komst van de heilige Middelaar, Hij is:
1) de Zoon van Maria
2) de Zoon van God

1) Onze Middelaar, broeders en zusters, luisteraars, is Mens. Net als jij en u. Bij mensen  
   met hun moeiten en problemen, bij mensen met zonden en gevolgen van de zonden, is Hij dichtbij, als Mens. Als er één ding in de gemeente van Christus van belang is, en ook al kunnen we dat niet meer doen, terwijl we mekaar spreken van aangezicht tot aangezicht, maar moet het via de telefoon of wat dan ook, dan is het dit: dat we elkaar altijd wijzen op Hém, de Heilige. Op Hém, de Machtige, Die Zijn eigendom werkelijk liefheeft. Heilig, Mens. Dat is zo dichtbij, dichterbij kan het niet. Maar altijd weer anders. Híj, zonder zonde. Maar hou dat vast, écht Mens.  

Het Woord van de Heere is duidelijk: vlees en bloed van de maagd Maria. Hij groeit daar in die baarmoeder van Maria, die wij hoog achten. Maar het gaat net, zoals het bij ons gegaan is, bij ons allemaal. Na een paar maand voelt Maria leven. En nog een poosje later: Hij schopt. En dan wordt Hij geboren, net als verreweg de meesten van ons, -geen keizersnee-, gewoon geboren. En dan gaat het ook net als ons, aan de borst, een boertje doen, verschonen, huilen, leren lopen, vallen, bult op het hoofd, tand door de lip, enzovoort. Écht Mens.  

Met die zwakheden, zoals de belijdenis dat zegt. Met pijn. Met trek aan eten. Met verdriet. Met bekaf zijn. En met aan het eind van Zijn leven die verschrikkelijke dingen.  

Écht Mens, de Middelaar tussen God en mensen. De Zaligmaker.  

En daarom, verzoeking op verzoeking van de kant van de satan. Op die bijzondere manier, meteen nadat Hij gedoopt is. Veertig dagen vasten, en dan komt de satan daar in de woestijn. Maar de satan wordt weggestuurd met het Woord van God. En later nog weer op allerlei andere manieren. Want wat is satan erop uit, dat Hij zonden gaat doen, dat Hij op een bepaald punt tegen Zijn Vader in de hemel zegt ‘nee, dat doe Ik niet, dat wil Ik niet. Dat kunt U wel willen, maar Ik niet’. Want als het zover zou gekomen zijn, dan was het reddingswerk van God gestrand. 

Wij kennen allemaal de satan, met zijn manieren. En wij zien hem, ook onder ons. Satan zegt: ‘toe maar, ik ben twee en ik zeg nee’. En dan ben je wat ouder en dan zegt satan, ‘toe maar, ik wil wat ik wil en ik wil het nu’. Nog wat verder, dan zegt satan ‘toe maar, wat kan mij het schelen’. En dat loopt uit op, ‘toe maar, doe het maar, ik ga toch mijn eigen gang’. Het is zo herkenbaar.  

En Hij. Heilig is Hij.  

Volmaakt beeld van God, tweede Adam. Dan heb je die tegenstelling met de eerste. Want bij Hem élk moment: ‘wat is het heerlijk om te doen wat Vader wil dat ik doe. Wat is het een heerlijk iets om te denken, zoals Vader denkt’. Tot en met: ‘wat is Vader liefhebbend als Hij Zijn wijze geboden geeft’. Heilig, verheven, te eren. Maar heel dichtbij. Aan Zijn broers, aan alle andere mensen gelijk. Behalve de zonde. Nooit zonde!  

Dat is, dat is voor ons niet in te denken. Dat je, -denk maar aan de jongens-, die zijn met mekaar bezig en die spelen wat. Ja maar er gaat altijd wel wat mis. En er wordt altijd wel een beetje gerommeld en gedaan, en dan moet je, als je eerlijk bent, ’s avonds om vergeving vragen. Mis gaat het of met woorden, of met daden.  

En Hij, geen zondigheid en daarom geen zonde, als Peuter niet. -Zelf peuters kunnen zondigen-. Als Kleuter niet, als Kind niet, als Puber niet. Dan had je in die tijd wel geen pubers, dat ging allemaal wat anders, maar in Zijn jonkheid geen zonden. Geen zonde als Man. Heilig gekomen en heilig gebleven. En één van de moeilijkste dingen, één van die dingen die zo duidelijk het lijden aangeeft, dat is dat Hij groot werd in een wereld die ból stond van de zonden. Tot en met, in het huis waar Hij groter werd, want Hij had zondige ouders en Hij kreeg zondige broers. Wat een verdriet.  

Maar Hij, heilig. En dáárom, omdat het áltijd zonder zonden geweest is, daarom kunt u en kun jij getroost leven. En daarom mag jij en u dat houvast hebben, bij al die verleidingen, die de satan op jou laat afkomen, is bij Hem je kracht. Hij kent satan, veel beter dan wij satan kennen. Hij kent de gemeenheid van satan door en door.  

En Hij weet precies, hoe het met ons zit. Hij kent ons tot op de bodem van ons hart. En Hij weet precies wat er in de wereld is en wat er te koop is. Hij weet hoe fel het kan zijn, die aanvallen van de satan. Of rechtstreeks, of via de mensen, of via de wereld om ons heen. Hij kan helemaal meevoelen met onze zwakheden. Zo staat het in Hebreeën. En wie het Woord van de HEERE heeft leren aanvaarden, die zal het, naarmate hij ook ouder wordt, steeds meer zeggen, ‘ja, bij mij, wat is daar een zwakte! Ik sterk, om de satan te weerstaan?’ ZONDAG 52: aangezien wij van onszelf geen ógenblik kunnen standhouden. Híj doet ons staande blijven. Dan is dat ook helemaal: dat houvast is bij Hém.  

En wat is het van belang, broeders en zusters, dat wij bidden om Zíjn Geest, dat Die ervoor zorgt dat dat Woord van Hem bij ons aankomt niet alleen, maar z’n plek gaat krijgt in ons leven, en ons gaat aansturen. Dat Woord van de genade van God. Want als die genade er niet zou zijn, dan zou je volstrekt wanhopig worden, en wat moet je dan nog?  

Maar die genade van God, en ook dat Woord van wat Vader wil, dat dat binnenkomt in je leven. Niet als iets afstandelijks, niet als iets vreemds. Maar dat je zegt van, ‘ja, Vader, in de hemel, het gróte wonder dat ik Zijn kind mag zijn. Als Vader zegt: dit of dat, ja, dat is goed, dat is mooi’. Zodat je zelfs op je Verlosser gaat lijken. Hij, volmaakt Beeld van God, wij -in beginsel-, herstelde beelden van God, lijken op Hem. 

Kijk, er is ook in dit kader, -en dat kun je door de hele Catechismus wel heen trekken-. Maar het is ook in dit kader van belang, om na te denken en door te denken over het kruis van die heilige Middelaar. Dan kun je zeggen: ‘ja, maar het gaat in deze Zondag alleen eerst nog maar over; de zwangerschap van Maria, over Zijn geboorte’. Jazeker, maar waaróm is Hij geboren? Óver de kribbe, -misschien kent u die tekening-, lag al de schaduw van het kruis.  

Je zult ook dán bij ZONDAG 14 mogen bedenken, hoeveel het Hem gekost heeft. Onvoorstelbaar veel. We hebben Goede Vrijdag gehad, en het blijven onbegrijpelijkheden. Het is zo zwaar geweest, maar Hij heeft het wíllen doen en Hij hééft het gedaan. En telkens was daar hetzelfde: ‘maar Mijn Vader in de hemel Die heb Ik lief’. ‘En, satan, weg!’   

En zo mogen wij, Hem volgend, datzelfde zeggen. Denk maar aan Luther, die dat soms heel hardop uitschreeuwde. Wij mogen dat ook wel eens hardop zeggen, op het moment dat we weer worden aangevochten. Dat er weer een verleiding is, en je staat bijna op het punt om toe te geven, dat je dan zegt: ‘satan, weg! De Middelaar heeft je verslagen, ik wil niet wat jij wilt’.  

Zo mag je getroost leven, Hem kennend. En als er moeders zwanger mogen zijn, en vaders in verwachting, dan moeten die ook niet vergeten om te bidden. In het geloof, dat God het gebed dankzij de Middelaar zeker wil verhoren. ‘Vader, reken ons kindje, ook de zondigheid niet toe, om Jezus Christus’.  

Wij bidden om vergeving. Dat leren we aan onze kinderen, hele goede zaak. Maar steek ook zo nu en dan eens een stuk dieper af, door het niet alleen maar te hebben over de zonden die je hebt gedaan en over de tekorten die er waren. Maar ook die zondigheid, dat ons dat níet wordt toegerekend, vanwege die heilige Middelaar.  

En, denk maar even terug aan je eigen doop. En als mensen naar het doopvont mogen komen, aan die prachtige woorden: ‘van jezelf, aan het eeuwige oordeel onderworpen, maar tóch, in Christus geheiligd’. In Christus, het is altijd weer het werk van de Middelaar, God én Mens.  

En door Hem is daar ook dat prachtige artikel uit de Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 17, Gods eigen Woord verzekert ons ervan dat de kinderen van de gelovigen, heilig zijn, uit kracht van het genadeverbond. En dáárom moeten godvrezende ouders niet twijfelen aan de uitverkiezing en het behoud van hun kinderen, die God zeer jong uit dit leven wegneemt.  

In de tijd van de Dordtse Leerregels was dat in elk gezin aanwezig, en soms keer op keer. Mocht een moeder en een vader twaalf kinderen krijgen en er werden vier van groot en acht droegen ze naar het graf. Maar het is bij ons ook niet automatisch:  zwangerschap, geboorte en alles gaat goed. Het artikel is nog, voor zoveel zusters en broeders, aan de orde. Niet twijfelen! Want het reddingswerk van deze Middelaar is volmaakt. Maar het is ook nodig, vanaf het allereerste begin.  

Want in de moederschoot, leeft een zondig baby’tje. Vanaf het eerste begin. En dan ook later. En geve de Heere, dat kinderen bij het groter worden, ook leren vertrouwen op Hem.  

De Catechismus, in de samenvatting van het Woord van God over deze zaken, wil u troosten en houvast geven, dankzij die heilige Middelaar, de Zoon van Maria. Hij is genadig en barmhartig voor iedereen die een beroep op Hem doet. Die vraagt óm die genade en óm die barmhartigheid. 

2) Dan het tweede. God troost u bij de komst van de heilige Middelaar. Hij is de  
   Zoon van God. Jezus, de volmaakte Hogepriester. Jezus, Die voor verzoening zorgt, Hebreeën 2 en 4. Hij is Gód. Er daar wordt telkens weer de nadruk op gelegd. Artikel 18 aan het eind: zó vanwege Hem, vanwege Zijn heiligheid en omdat Hij de Zoon van God is. Zó, God met ons. Immanu-el, met ons-God. Want wie zou ons anders kunnen redden, dan God alleen. En God kan het, en God wil het. En daar mag je je houvast aan hebben.  

Dat is wat Gabriel tegen Maria moet zeggen. ‘Hij Die jouw kind zal zijn’. Het moet Maria ook geduizeld hebben. En je leest dat ook in de Evangeliën. Het is voor haar ook altijd, het was haar Zoon, maar het was de Zoon van God, met dat wonderlijke: ‘mevrouw’,  Kana, later nog een keer.  

Maar Gabriël moet dat zeggen: Hij Die jouw Kind zal zijn, is de Zoon van God, is zélf God. En daarom die wonderlijke manier, manier van wonder, maar ook die voor ons niet te begrijpen is. ‘God de Heilige Geest zal over je komen en de kracht, de Geest van God, zal je als een schaduw bedekken’. Dat zijn woorden die wij nazeggen, maar waarvan wij de betekenis niet kunnen begrijpen, helemaal de diepe betekenis niet.  

Want hoe zouden wij ooit kunnen vatten, dat werk van God? Hij Zélf neemt, -je kunt dat terugvinden in Psalm 40-, Hij Zelf néémt echte menselijke natuur aan. In PSALM 40 staat: ‘Ik kom’. Wie van ons en welk baby’tje zegt: ‘ik heb het eraan toe, nu kom ik’? Bestaat niet, kan een mens niet zeggen. Wij wórden geboren. Daar hadden we zelf, -misschien medisch gezien, kun je allerlei verhalen ophangen- maar daar hadden we zelf toch geen invloed op?  

Hij wel. Hij bepaalt Zijn eigen tijd. Hij komt. Hij heeft zelfs Z’n moeder uitgekozen. Ook iets, dat wij nooit kunnen doen. Maar Zijn geboortedatum, en Zijn geboorteplaats en Zijn moeder en Zijn vader, dat is ZIJN zaak. De zaak van God. Je zou zeggen, wonderlijker dan wonderlijk.  

God komt ‘in het vlees’. Moeilijk woord voor de kinderen, maar misschien dat je het kunt leren. Dat heet: ‘incarnatie’. Beetje Latijn-achtig. Incarnatie: ‘in het vlees komen’. Dat betekent: ‘mens worden’. En wat horen wij in Lucas? De Heilige Geest werkt, Gód werkt. Mens wórden, maar Zoon van God, God blíjven. Daar is dat zinnetje voor, -dat zullen de ouderen wel kennen, hebben ze op de catechisatie geleerd-: ‘Hij wórdt, wat Hij niet was. En Hij blijft wat Hij was en is’. Ik zeg het nog een keer: ‘Hij wórdt, wat Hij niet was, -Mens- en Hij blijft wat Hij was en is, -God-.  

God wordt Mens, maar blijft God. Jezus Christus, onze Middelaar, God én mens. We zullen dat straks ook gaan belijden. Dit keer met de Geloofsbelijdenis van Athanasius. En dan merk je weer van, je belijdt de dingen, omdat je ze leest in het Woord van God. En dat herhaal je. En dat be-aam je, ‘zo is het’. Maar het gaat je verstand te boven.  

De goddelijke natuur, dat betekent, alles wat bij God hoort, -Zijn almacht, Zijn eeuwigheid, Zijn heiligheid, enzovoort- én die menselijke natuur, dat is alles wat bij ons mensen hoort. Vanaf Zijn allereerste begin in de moederschoot, samen. In die moederschoot: God én mens. Hij Die Zich geboren laat worden: God én mens. Hij Die groter groeit, van Peuter naar Kleuter, naar Jongere en naar Man: God én mens. 

We zien immers in de evangeliën ook, hoe Hij God blijft. “Zee, stil!” Vijf broden en twee vissen. “Lazarus, kom uit!”. “Kind, je zonden zijn je vergeven”. En al die genezingen en die uitdrijvingen van duivelen. Hij Die van onrein, weer rein maakt. En dan het uiterste: ‘En op de derde dag staat Hij, de Vorst, weer op; de sterke dood heeft Hij overwonnen.  

God. God komt in Jezus Christus naar de wereld toe. Zo lief had Hij de mensen. 

Alleen Gód kan satan aan. Alleen Gód kan gedane zaak maken met zonde en oordeel. Iedereen die gelooft, mag het zeggen: ‘mijn, onze Middelaar, dat is de Zoon van God’.  

En dat is troost en houvast. Want nu het reddingswerk vanaf het allereerste begin, Gods werk is, hebt u -gelovend in Hem- zekerheid!  

AMEN