Preek Zondag 50

Print Friendly, PDF & Email

Preek Zondag 50
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Dalfsen, 26.04.2020 

Liturgie

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 145:1
  • Apostolische Geloofsbelijdenis
  • Psalm 145:4
  • Gebed
  • Lezen
    • Psalm 62
  • Psalm 104:8
  • Tekst
    • Zondag 50
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 127:1,2
  • Gebed
  • Gezang 5:5,10
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus, hier en thuis, luisteraars,  
 

“Papa, waar is dat nou goed voor? Het eten staat allemaal al op tafel en dan bidt u nog ‘geef ons heden ons dagelijks brood’.” 

Ik wil u vanmiddag het Woord van de HEERE bedienen onder het thema: 

Vader, wilt U ons álles geven wat wij voor ons lichaam nodig hebben?
1) met erkennen van U
2) in vertrouwen op U

1) Even vooraf, broeders en zusters, dit. Er zijn 6 beden, drie keer ‘Uw’, en drie keer  
    ‘ons’. Maar dan moet u niet gaan denken van, oh, ‘Uw’, Vader, Die is geweest. Nu komt ‘ons’, nu zijn wij aan de beurt. Wij, kinderen, wij kunnen het nou druk hebben met onze zaakjes en onze zaken, en die allemaal bij de HEERE aan de orde stellen.  

Nee, dat héle gebed dat de Heere, Jezus Christus, Zijn leerlingen en ons geleerd heeft, gaat om de zaak van Váder!  

Want, waaróm brood en alles wat daarbij hoort? Dat is, om die eerste bede te kunnen doen. ‘Geef dat wij U eren’. Hoe zou je God kunnen eren als je niet leeft, omdat je geen eten krijgt.  

Om die tweede bede. Brood eten, alles daaromheen, om God, om Vader, als Koning gehoorzaam te zijn. Wij bidden om brood, om, –derde bede-, de wil van God te gaan doen. Dat is: alles van die bede, die vierde, maar straks ook de vijfde en de zesde, heeft met Gód te maken, en is ervoor om Gód te loven.  

Wij mogen bidden om eten om er voor Hém te zijn. Om bruikbaar te zijn voor Hém. In Zijn dienst, als Zijn kind. Dat grote wonder, als kind van Vader, dankzij Jezus Christus.  

Dat vooraf.  

Nu brood. Ja, brood, dat aten de Heere Jezus en Zijn leerlingen ook. Elke dag. Maar je mag, en dat gebeurt ook wel in andere talen, bijvoorbeeld in het Indonesisch. Je mag ook zeggen ‘eten’. ‘Geef ons, ons eten’.  

En dan kun je nog veel breder denken. En dan kijk ik naar de teksten die er onder staan, onder die catechismus. Onder andere Mattheüs 6, want dan gaat het ook al over kleren die je nodig hebt. En dat kun je dan nóg veel verder uitbreiden.  

Daarom heeft de Catechismus op grond van Gods Woord helemaal gelijk als die zegt, brood betekent hier, werkelijk álles wat je voor je lichaam nodig hebt. Nou, noem maar op, eten, drinken, kleren, huis, auto, tandpasta, fiets, laptop. 

Ho even. Eerst terug naar… ‘nodig waarvoor?’  

Nodig, alles wat wij nodig hebben om onze Vader, de Heere God te dienen. Zo lang als Hij die dingen nodig vindt. Zo lang als Hij dat díenen nodig vindt, dán vragen wij om wat Híj nodig vindt. Dat kan heel anders zijn dan wat wij nodig vinden.  

Denk maar aan kinderen, dat is heel simpel. Altijd: ‘wat willen jullie eten? Patat’. Maar is dat gezond? Nee. Dus zeggen vader en moeder ook wel, nee, dat vinden wij niet nodig, want je moet groente eten en fruit. Het is maar een voorbeeld, maar niet het kínd bepaalt wat nodig is. En dat is ook in het geloof zo. Kinderen kunnen allerlei gedachten hebben over wat zíj nodig vinden, maar er is Éen die bepaalt en dat is Vader. Dat kan soms heel moeilijk zijn, dat kan soms heel plezierig zijn. Maar dat is wel het punt waar het om gaat.  

Dat betekent dus, dat de één die in de zorg werkt, mocht bidden om mondkapjes, want die waren nodig. En dat de ander, die ander werk doet, daar níet om mocht vragen, tenminste niet voor zichzelf. De één mag bidden om medicijnen, want die heeft hij nodig en de ander bidt daar niet om, want die heeft het niet of nog niet nodig. En het gaat over álle dingen, die nodig zijn in dienst van God. Dat kan voor de één een schroevendraaier of een maaimachine zijn, en voor de andere een pen of een naaimachine. 

Denk even terug aan de inleiding. Moet je dat nou allemaal vragen? ‘Geeft Ú ons…’  

Want je hebt die dingen toch vaak wel? Ja, en dan weer, de wijsheid van de Catechismus op de basis van de Bijbel. Als je het al hebt, dan is die bede, die heeft als inhoud dat je Vader daarvoor gaat dánken. Dan erken je, ál die dingen, -die tafel die daar vol met eten staat-, ál die dingen en ook alles daaromheen, ze zijn er alleen maar gekomen en ze kunnen er alleen maar zijn, als dat in Vaders wijsheid past, en als Híj het geeft.  

Als U dat nodig vindt. Wat is dat een punt, waar je over nadenkt als je het in de breedte ziet van deze hele wereld. Want vandaag sterven er kinderen van deze Vader, vanwege de honger, vanwege ziekte, en vanwege misschien wel heel andere dingen nog.  

En onze Vader doet ook nog altijd wonderen. En dan krijgen hongerende kinderen opeens te eten. En zieke kinderen opeens het wonder van genezing. En dat is allemaal om Hém te dienen. Het kan ook zijn dat Hij zó’n wonder niet nodig vindt en dat inderdaad zo’n kind sterft.  

Dan moet je dat in alle eerbied en niet makkelijk zeggen, maar dan is het nog zo, dan is er nog een wonder: iedereen die in de Heere, Jezus Christus, gelooft. En al die kinderen die misschien nog niet eens weten wie die Heere is, maar die in dat verbond zijn, die mogen eeuwig leven! 

Brood, eten, alles wat nodig is. Hoe komt dat eten op tafel? Moeder zegt wel eens van: ‘ga je even naar de winkel’? -Tegenwoordig dan niet meer want dat mag niet of, als je wat groter bent wel, en hopelijk komt dat straks terug- Waar komt dat vandaan, uit de supermarkt vaak. En waar haalt de supermarkt het vandaan? Dat komt uit het distributiecentrum, -ik ben er net weer voorbijgekomen in Beilen-. En dat distributiecentrum dat haalt het uit de fabriek en de fabriek die haalt het bij de mensen vandaan die het verbouwen, of die koeien hebben, en varkens of kippen. Of het komt met vliegtuigen uit het buitenland.  

Wíj regelen dat allemaal.  

Oh ja? En waar komt de kracht vandaan? Psalm 62 één-na’-laatste vers: ‘de kracht is van Gód’. Gras en koeien en suikerbieten en alles groeit niet, als onze Váder daar geen kracht in legt, en als Híj geen regen en geen droogte geeft. Als Híj geen zon laat schijnen. Als Híj de sprinkhanen en de muizen niet weghoudt. En als onze Váder geen kracht geeft aan ons, aan de mensen om te werken, en geen mogelijkheden daarvoor, en geen overheidspersonen en geen verstand, en geen economie. Alle goeds komt alleen bij Hém vandaan. 

Dat is ook Kolossenzen 1:17. Álle dingen, staat daar, bestaan tezamen door Hem, door Jezus Christus, onze Heere, onze Koning in de hemel. Álle dingen!  

Dat is niet iets waar je regelmatig aan denkt. Daar word je bij stilgezet, als je thuis toe bent aan Kolossenzen, en dan opeens, dan bots je als het ware tegen zo’n vers aan en dan, ja dan kun je er even stil van zijn. Álle dingen, bestaan, tezamen, -het heeft ook verband met elkaar- door Hém.  

En dat is dat punt van, dat wij altijd onze menselijke bril moeten afzetten, want dan kijk je ernaar zoals wij het allemaal voor mekaar krijgen en dat we die bril van de Bijbel op mogen zetten. En dan weer zien van, ja, maar, de oorsprong van alle goeds…, Vader in de hemel!  

Het trieste is dat de meeste mensen dat niet geloven, hoeveel het Evangelie ook rondgegaan is op deze aarde. Je kunt daarvan ook schrikken in Openbaring 16 als daar een aantal keren staat, -zelfs bij die oordelen die tegenwoordig over de wereld gaan-, ‘maar zij bekeerden zich niet’.  

Het is tegenwoordig, in het Oude Testament was dat het ZHP trio, zo hebben we dat vroeger geleerd: Zwaard, Honger, Pest.  

-Zwaard: dat zijn de oorlogen en de misdaden, geweldsmisdrijven en alles wat daarmee te maken heeft.  

-Honger: sprinkhanen, droogte, verkeerde voedselverdeling op deze aarde. 

-Pest: de ziekten en niet alleen de huidige pandemie, maar er zijn al veel meer, denk nog maar even terug aan Ebola, denk maar aan… maakt niet uit wat voor ziekte.  

‘Maar zij bekeerden zich niet’.  

Zij erkenden niet, -de mééste mensen-, dat Vader in de hemel de Oorsprong is van al het goede. Maar daarom ís het nog wel zo. En juist de kinderen van deze Vader in de hemel, die leren het door de Heilige Geest altijd maar weer zeggen: “Vader, Ú bent het. Vader wij eren Ú.” En misschien dat je dat vanavond kunt doen als je aan tafel zit, dat je even op zo’n boterham wijst, en dat je zegt, “dat is dankzij Vader.” En dat je kijkt naar het beleg, misschien wel een heleboel beleg, het is zondagavond – krijg je misschien ook nog wat lekkers, “dankzij Ú, Vader.”  

Maar dat is ook zo bij elke slok water, elke slok melk of karnemelk, “U bent de oorsprong van dit goede en van ál het goede.” En dan leven wij in een land waar in een heleboel goeds is nog. Je kunt ook andere situaties op deze aarde hebben die heel anders zijn. Maar ook dan, al is het weinig, ook dan zul je daarop mogen wijzen en daarbij stilstaan. De enige oorsprong van al het goede: onze Vader.  

En waarom zijn de kinderen van deze Vader het meest verwonderd telkens weer?  

Omdat zij antwoord 117 nog niet vergeten zijn. Dat was aan het begin van het gebed. ‘Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?’ Dan staat er: ‘ten derde, dat wij deze váste grond hebben’, -dat is vast en zeker!- ‘dat Hij’, onze Vader, ‘ons gebed’, -en dan komt het- ‘al zijn wij dat niet waard, om Chrístus zeker verhoren wil, zoals Hij in Zijn Woord beloofd heeft.’ 

Kinderen van Vader, om Christus zien zij, brood en alles wat nodig is als aanleiding om Vader ervoor te danken.  

Nog weer even een opmerking tussendoor, broeders en zusters, luisteraars, wíj zeggen in onze versie van het Onze Vader: dagelijks brood, ‘geef ons heden ons dagelijks brood’. Dat woordje ‘dagelijks’ is een heel bijzonder woordje, dat is een woordje dat kwam voor die tijd nog niet in het Grieks voor. Daar wordt altijd nog over gesteggeld: ‘wat betekent het precies?’ En daarom zijn er ook andere talen, en die gebruiken bijvoorbeeld de vertaling: ‘genoeg’, ‘voldoende’. Denk maar weer even aan Indonesië. Daar bidden ze: ‘Geef ons ons eten, voldoende of genoeg.’ 

Niet dat het iets uitmaakt, het kan ook. Maar het is goed om daar ook even over na te denken. Zeg dat ook maar eens, ‘geef ons genoeg’. En dan zie je op tafel dat het vaak veel meer dan genoeg is. En dan ben je helemaal weer verwonderd.  

‘Elke dag’ en ‘genoeg’, dan kun je terugdenken aan het manna, dat was er elke dag. En het was ook elke dag genoeg. En ze mochten niet stapelen, stapelen, stapelen. Dat kwam niet goed. En ze mochten niet denken van, ‘hoe wordt dat nou morgen?’ Want als ze voor twee dagen bij elkaar haalden en ze bewaarden het, dan ging het ook mis, konden ze het ook niet meer eten.Behalve dan voor de sabbatdag, dan mocht dat wel, want op de sabbat hoefden ze dat niet bij elkaar te halen. Dan zie je dus, manna, ‘genoeg voor elke dag’.  

En je kunt denken aan iemand als Elia bij de beek Krit. Als die raven eten brengen, is dat ‘genoeg voor elke dag’. En als hij later bij de weduwvrouw in Sarfath is, dan krijgen ze vanuit de pot met meel en de kruik met olie ‘genoeg voor elke dag’. En dat wordt in het Nieuwe Testament, in Handelingen 6:1 ook nog een keer benadrukt, wanneer daar die moeite is onder die weduwvrouwen, dan gaat het over de ‘dagelijkse’ ondersteuning. Ook weer: ‘vandaag genoeg’.  

Waar gaat het om, broeders en zusters, luisteraars? Al staat er misschien wel twaalf pak  Brinta in de kast en liggen er zes broden in de diepvries en is er groente voor een week en heb je een paar mud aardappels als wintervoorraad, -dat is voor veel meer dan dagelijks en genoeg-, dan gaat het er dus om dat grote mensen en kinderen ‘elke dag’ erkennen: ‘Ú Vader, Ú, Úw genade is het, dat eten en al dat andere. En Úw genade is er alleen maar dankzij Jezus Christus. Die heeft dat voor ons verdiend.’ 

En dan moet je nog meer leren. Want als het woordje ‘ons’ zegt, geef ‘ons’ vandaag wat we nodig hebben, dan betekent dat ook, dat je bidt in het grote verband met al die andere mensen. Al die andere gelovigen. Maar ook al die andere mensen die niet geloven. Dat je geven moet om mensen die het minder hebben of die niet te eten hebben. Dat ene woordje ‘ons’, dat legt ons de opdracht op om diaconaal bezig te zijn. En dan kan dat heel breed wezen.  

Eerste punt is dus die erkenning. En daar zit nog iets bij. Je moet het eigenlijk verdelen in tweeën. ‘Ú bent de oorsprong van alle goeds’, daar hebben we het nu over gehad.  

En dan is het tweede, met de woorden van de Catechismus: ‘zonder de zegen van onze Vader heb je niks aan al dat eten en drinken en al die spullen’. Dat is misschien heel moeilijk te vatten. Want gelovige mensen eten en gelovige kinderen eten en die groeien daarvan. Maar kinderen van ongelovige ouders eten en die groeien er ook van. Wat is dan het verschil, wat is dan die zegen? – Daar kom ik straks op terug.  

Maar als het gaat om die zegen van onze Vader, dan is dat iets om goed over na te denken. Want, als ik deze kant op rijd vanaf het noorden, dan staan daar die borden aan de kant van de weg ‘alleen samen krijgen wij corona onder controle’. Nou ja, daar zit best wat in, je moet daar samen tegenaan, om zo te zeggen, Maar wat horen wij in deze tijd nooit? En dat is een groot gebrek! Als onze Vader in de hemel onze inspanningen en ons werk en zelfs al Zijn eigen gaven van medicijnen en ziekenhuizen en dokters en verpleegkundigen en kracht en wijsheid en noem maar op, als Hij dat niet zegent, dan schiet je daar helemaal niks mee op. Dan kun je beter worden, of gezond blíjven. Maar dan, het is weer huiveringwekkend, maar dan krijg je al dat goede om tenslotte te horen: ‘ga weg van Mij, Ik ken je niet’.  

De teksten onder onze Zondag, onder Zondag 50, je kunt ze stuk voor stuk nalezen, wat hebben ze … Soms heb je ook teksten onder de Catechismus, dat je denkt van, dat begrijp ik niet helemaal. Hoe is dat verband nou tussen die tekst en wat er staat? Maar dit keer, ze zijn er allemaal heel direct op betrokken. Deuteronomium 8: ‘de mens leeft niet alleen van brood!’ Toen al werd gezegd, voordat het volk Kanaän binnen ging, het beloofde land. Toen moesten ze dat heel goed weten: ‘je leeft niet alleen van brood, maar je leeft van wat uit de mond van de HEERE uitgaat.’ 

Het leven van Vaders kinderen is gefundeerd op Vaders beloften. ‘God heeft één ding gesproken, ik heb dit twee keer gehoord’, Psalm 62. Ja, dat is het! Ik heb het gehoord, Vader heeft het gezegd en daar kun je je leven op bouwen.  

En Psalm 127, we zullen dat straks zingen. Psalm 37: ‘aan Vaders zegen’, -zeiden onze opa’s en opoe’s vroeger- ‘is alles gelegen’. Dat kun je zelfs de kinderen nú nog leren, want zo is het wel. 

Zegen, wat is dat? Daar kom ik nu op. Zegen, dat staat tegenover vloek. En zegen, dat is: Gods vriendelijk aangezicht, geeft vrolijkheid en licht. Dat betekent, zegen dat is: God is blij met je, met Zijn kind. Zoals een vader en moeder met hun kind of met hun kinderen blij kunnen zijn. En dan Vader, om Jezus Christus, nog veel intenser.  

Zegen, dat betekent, tussen Mij in de hemel, en jou hier op aarde, Mijn kind, is het goed, Ik ben goed met jou! En belangrijker dan dat is er immers niet. Als Vader goed is met Zijn kind, dan heb je alles. Al onze zorg en al ons werken, je hebt er alles aan, als het te maken heeft met: we erkennen Vader, we danken Vader en we hebben het in gebruik voor Vader. Alles heeft met Hem te maken!  

En zegen dat is: goed met Vader, dankzij Jezus Christus. 

2) Dan nog het tweede punt. Dat is vooral in de richting van Psalm 62. ‘Vader, wilt u ons 
    alles geven wat we voor ons lichaam nodig hebben, in vertrouwen op U’.  

Als het gaat om eten en drinken, als het gaat om ziekte, gezondheid, droogte en regen, werk en baanloos. Als het gaat om wat ook maar, dan is er voor Vaders kinderen dat vaste en dat zekere: Hij ís onze Vader, dankzij Jezus Christus, Die het goede met ons voor heeft. 

Vaders op aarde dat gaat lang niet altijd goed. Daar zijn ook verschrikkelijkheden bij en als het niet verschrikkelijk is, maar gewoon, dan gaat het ook niet altijd goed, want het zijn zondige vaders. Maar die Vader in de hemel, Die heeft, helemaal, altijd, overal het goede met ons voor. Elke dag. In al onze omstandigheden. Maar dat is voor ons vaak zo moeilijk vast te houden.  

Vertrouwen, dat is een woord dat je misschien heel vaak gebruikt in de kerk, maar als het erop aankomt, is dat zo ontzettend moeilijk. Om te vertrouwen, om helemaal te vertrouwen. Wij denken zo makkelijk van, ja maar, als ík niet… En ik met mijn geld, ik met mijn verstand, ik moet het toch wel doen. Of wij denken van, als de dokter niet …, de dokter is gelukkig knap en in het ziekenhuis kunnen ze alles. En de regering die moet het nu doen. 

Maar wij bidden hier om te leren vertrouwen. Kinderen hebben een poos thuis les gehad. Het is nou vakantie, na de vakantie mogen ze dan bijna weer naar school, halve dagen of hele dagen, dat is overal verschillend. Maar dit is een les Thuis met een hoofdletter T.  

Vader in de hemel wil ons leren vertrouwen. En daarom staat Psalm 62, – en nog veel andere dingen natuurlijk ook- maar daarom ook staat Psalm 62 in de Bijbel. En als u thuis kunt zingen vanavond, pak dan die hele Psalm maar, alle verzen. Om te gaan vertrouwen, alléén op Vader. En dan hoor je die woorden, en dan zing je die woorden. ‘Hij is onze Rots’. Dat kennen wij niet zo, dat is in bergen en zo. Daar heb je rotsen, dat is zó STERK. Daar heb je dynamiet voor nodig om dat kapot te krijgen.  

‘Onze Vader, onze Rots’, Die vastigheid geeft en ‘ons heil’ staat er dan, Die troost biedt en toekomst geeft. ‘Onze veilige Vesting’, waar niemand je wat kan aandoen. Hoeveel mensen op het ogenblik voelen zich niet onveilig en onzeker: het zal je maar overkomen … Ja, en een kind van Vader zegt: ‘Hij is onze Toevlucht’. En dan kan er inderdaad van alles gebeuren, en dan ben je nog veilig bij Hem.  

Je kunt altijd naar die Toevlucht toe. ‘Toevlucht’, daar zit dat woord in: ‘vluchten naar’. Wat doet een kind, als hij bang is? Die rent op z’n papa af. Dikke hond – nou, lopen naar vader toe. Wat doet een gelovige? Die bidt er om, dat hij dat altijd doet, naar Vader toe. En dan staat, -dat is zo mooi in die Psalm-, in vers 3, dan staat er: ‘ik zal niet al te zeer wankelen’. Dat betekent: ik wankel wel een klein beetje, maar niet al te zeer, ik blijf nog op de been. Maar dan staat erin vers 7: ‘ik zal niet wankelen’. Want dan is dat een paar keer gezegd, ‘onze Rots’, ‘ons Heil’, ‘onze Toevlucht’. En dan wordt het dus van, een beetje wankelen à helemaal niet meer wankelen. Stevig op de grond! Vader is bij mij, altijd. 

En als wij dan bidden, ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, dan heeft dat ook te maken, broeders en zusters, luisteraars, dat je díe zekerheid hebt te geloven. Vader leert U het mij altijd maar weer, die les. Ik kan het niet zelf. Laat dat in mijn hoofd zijn en in mijn hart: ‘U bent alles. En bij U alleen heb ik houvast’. Dat mogen we in deze tijd ook laten horen, waar maar de mogelijkheid is, aan andere mensen die daar geen zicht op hebben. En als ze het niet willen hebben, dan ligt het voor hun verantwoording.  

Vader laat voor eeuwig niet toe, dat de rechtvaardige, Psalm 55, degene die naar Hem luistert en blijft luisteren, dat hij niet wankelt. Dat gebeurt niet! En zo kun je blijven bidden tot Vader, om Zijn zorg, om alles wat we nodig hebben. Zo kun je ook bidden voor anderen, voor overheidspersonen, hoe ongelovig ze misschien ook zijn. Maar onze Vader kan ze altijd gebruiken, als Hij dat wil, voor Zijn kinderen. En dan bidden we of onze Vader hen wijsheid wil geven en voorzichtigheid en inzicht en alles.  

Dan bidden we om het weer bij elkaar mogen komen, als gemeente. Want het is niks. En wat is het mooi dat het kan! Wat is het mooi dat de HEERE deze mogelijkheden geeft! Maar wat verlang je ernaar om weer als gemeente bij elkaar te zijn. Want dat is toch gemeente zijn, samenkomen om de HEERE te dienen.  

En dan bidden we om Vaders zorg voor allen die verzorgd worden en voor allen die zorgen. Dan bidden we om mogelijkheden van bezoek aan mensen waar ze nu niet heen kunnen. De één ligt in een verzorgingshuis ziek te zijn, de man of de vrouw, en de vrouw of de man kan niet op bezoek. Dan bidden we voor van alles en nog wat. Nee, ook kleine dingen zijn niet té klein voor onze Vader.  

We bidden altijd weer tot Hem. Bij Hem is heil, niet bij mensen.  

En vooral danken we. Omdat we geleerd hebben: onze hulp is echt alleen van onze Almachtige Vader, dankzij Jezus Christus! 

AMEN