Preek Zondag 36

Print Friendly, PDF & Email

Preek Zondag 36
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Emmen, 15.09.2019 

Liturgie

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 8:1,2,3,4,5,6
  • Gebed
  • Psalm 118:3,4
  • Lezen
    • Kolossenzen 3:1-17
  • Psalm 7:7
  • Tekst
    • Zondag 36
  • Bediening van het Woord
  • Psalm 105:1,2,3
  • ApGelBel
  • Psalm 105:4
  • Gebed
  • Psalm 103:1
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus, 

Het is al weer een poosje geleden dat dat uiteindelijk door de Tweede Kamer ook beslist is: als je de koning beledigt, nou ja, dan is dat ook niet zo erg meer, daar krijg je geen straf meer voor.  

Met het onzinnige, maar helaas ook veel gebruikte argument: “majesteitsschennis, belediging van de koning, ach, om daar straf op te geven dat is niet meer van deze tijd.”  

Daaruit blijkt in elk geval dat men ook niet meer weet wat een ambt is: een van God gegeven opdracht. Omdat iemand die in zijn ambtseer wordt aangetast niet alleen maar als persoon wordt beledigd, maar omdat dan ook degene die dat ambt geeft in feite wordt neergezet als iemand zonder enige macht en majesteit. En dan gaat het over de Heere God.  

Maar laten we wel wezen, al is dat op dit moment zo in Nederland, belediging van dé Koning, de HEERE, God van hemel en aarde, dat zal altijd strafwaardig blijven. Hij Zelf spreekt: “Ik zal zeker schuldig verklaren wie Mij beledigt”. En dat is de ernst van het derde Woord.  

Ik wil u vanmiddag over dat derde woord het Woord van de HEERE bedienen als volgt:  

Eer dan MIJ alleen, IK ben uw God, de HEERE!

U kent dat misschien wel uit een van de berijmde psalmen, Psalm 81. ‘Eer dan Mij alleen, Ik ben uw God de HEERE’. 

Geen punten vanmiddag, alleen dat thema.  

Als het volk van de HEERE dat derde Woord voor de eerste keer hoort, dan weten ze het allemaal nog. Want waar gebeurt dat? Dat gebeurt immers bij de Sinaï. En dat is nog maar een aantal weken, nadat de HEERE hen bevrijd heeft.  

En u zit nou in die behandeling van de Tien Woorden, maar het is elke keer hetzelfde, bij elk Woord: Altijd weer doordenken over die inleiding daarop: ‘Ik ben de HEERE uw God, die U uit dat diensthuis, uit die slavernij in Egypte, geleid heeft’.  

Bevrijding!  

Die grote wonderen. Ze weten het allemaal nog. De grote mensen en de kinderen daar, want ze waren er zelf bij. Die kindertjes die liepen ook door de Rode Zee heen, misschien droeg mama ze wel. En anders, als ze zelf konden lopen, dan liepen ze zelf. En ze zagen links en rechts het water. En het was een ongelooflijk wonder!  

Dat vergeet je niet weer.  

En de grote mensen die vergaten niet weer, dat zij daarvóór slaven waren. En dat ze bevrijd zijn door een God, mag ik het zo zeggen, Die ze eigenlijk nog maar nauwelijks kennen.  

Want Israël in Egypte was niet een volk dat aan alle kanten bezig was om de HEERE te eren en te dienen. Dat was een volk dat al behoorlijk ver van Hem verwijderd was. Maar de HÉÉRE was trouw aan zijn belofte aan Abraham, Izaäk en Jacob. En de HEERE in Zijn trouw, Die bracht die bevrijding. Het was een bevrijding, ook weer met iets wat ze nooit zouden mogen en eigenlijk kunnen vergeten. Dat was na die tien dreunen die Egypte te verwerken kreeg. We noemen dat dan plagen, maar het was dreun op dreun, tot en met het ergste aan toe.  

Kijk, en dat is de reden: díe HEERE, díe Bevrijder, natuurlijk mag je daaraan koppelen ook: Hij is het Die de Schepper van alles is en Hij Die de Onderhouder van alles is. Maar op dit moment die Tien Woorden vooral vanuit die bevrijding.  

Ik heb dat ook bij ZONDAG 34 al gezegd: nooit die wet zien om het goed te krijgen met God. Dat de HEERE zou zeggen van: ‘nou, Ik heb nu een heleboel gedaan, laat maar eens zien wat je d’r van terecht brengt’.  

Nee, Hij is de Bevrijder en Hij wil dat ze bevrijd blijven. En dáárom die Tien Woorden en dáárom ook dit derde Woord. Wanneer je het over Mij, de HEERE, de Bevrijder, hebt, wanneer je het over Mijn werken hebt, denk dan en praat dan en doe dan heel eerbiedig. Wees dan blijvend onder de indruk van Mijn ontzagwekkend optreden. 

O ja, door die Rode Zee! O, die tien plagen in Egypte, ja! En alles wat er achteraan kwam. Je zou het misschien kunnen vergelijken met iemand die een maand geleden bevrijd is uit de handen van criminelen. Zoals die praat over z’n bevrijders. En wat ze allemaal deden. Geweldig! Dat was nogal wat, zeg!  

Of eigenlijk moet je het nog sterker zeggen: Zoals iemand praat over degene die hem gratie verleent, terwijl hij terecht veroordeeld was tot de doodstraf.  

We kunnen ons dat niet indenken, gelukkig maar. Het zijn ook maar voorbeelden. Maar het is zo geweldig, dat doen van de HEERE! En daarom ook Kolossenzen 3, want dan ga je die stap verder, niet meer bevrijding uit Egypte, maar de volkomen bevrijding vanuit … de slavernij van zonde en satan en dood!  

Verbonden met Christus. Je bent toch door Hem ook zelf opgewekt uit de dood. Je mag leven met Hem nu, met het vooruitzicht dat het beste nog komt. En mensen als de Kolossenzen en wij, hoe hebben wij het dan over die Redder, Jezus Christus, God de Vader en de Heilige Geest.  

‘Eer dan mij alleen, Ik ben de drie-enige God’.  

En, het is heel duidelijk, ook uit de Catechismus zelf, broeders en zusters, dat dit derde Woord, dat gaat niet alleen maar over wat wij ‘vloeken’ noemen.  

Als het goed is hebben onze vaders en moeders ons allemaal geleerd: ‘vloeken, absoluut niet!’ Ook kleine vloekjes niet. Ook die twee letterige woordjes niet, van ‘jé’ en ‘goh’ en dat soort dingen. Nee, dat is duidelijk genoeg gezegd. Maar het gaat over veel meer.  

Het gaat over dingen waar de straf, die ergste straf van: ‘iemand met stenen dood gooien’, op staat. Oude Testament. Nu: afhouding van het avondmaal. Tot en met, als mensen blijven volharden in overtreding van dat derde Woord, het niet meer mogen binnengaan in het Koninkrijk der hemelen.  

Dat heeft dus ook te maken met, als mensen die bij God horen, over God zeggen: “ja, je hebt aan God niet zoveel. Hij doet niks, Hij kan niks. Kijk maar eens hoe de wereld er uitziet: wat een ellende!”  

Maar, als het gebod alleen dáár maar over zou gaan, over vloeken en beledigen, dan zaten hier misschien wel de meeste mensen die zeggen: ‘nou ja, maar dat soort dingen dat doe ik helemaal niet’. En dan had je weer een gebod waarvan je kon zeggen: “nou ja, dat kunnen we de volgende keer zondagsmorgens wel overslaan.” En daar maken we een groot papier van en dat hangen we midden in Emmen op. ‘Ja, daar zijn allemaal van die mensen die moeten dat nog eens even heel goed horen of lezen’.  

Maar dat is het punt niet bij die Tien Woorden. De Tien Woorden zijn in eerste instantie gericht tot Gods eigen volk. Dat Kóninkrijk van priesters. Denk aan Exodus 19, de inleiding op die wet. Niemand komt onder dit woord uit. Wij zitten daar niet op te wachten, maar elk van de Tien Woorden moet u eigenlijk pijn doen.  

Kijk, dat vinden kinderen ook niet zo leuk, als moeder of vader op een gegeven moment ze eens even stevig vastpakt. Misschien krijg je wel eens een keer een dikke knijp. En eh, ik weet niet wat voor straffen er verder thuis nog gegeven worden, maar dat vind je nooit fijn. Maar ’t is wel eens heel goed. Want je leert ervan. En je weet van: zo moet het niet weer. 

Tien Woorden. Die ook scherp gepredikt worden en die hard mogen aankomen bij elk gemeentelid. Want ZONDAG 44 moet u altijd ook koppelen, dat zijn twee dingen, misschien ten overvloede gezegd, maar bij die Tien Woorden, begin altijd bij het begin. En dat heb ik net al gezegd, die inleiding, maar ga ook altijd door tot ZONDAG 44, de laatste vraag  en antwoord over die Tien Woorden: “waarom laat God deze woorden zo scherp prediken, als toch niemand zo volbrengen kan?”  

Wat heb je er nou aan? U zit hier en ik kan het allemaal wel preken, maar we weten bij voorbaat ook: ‘het wordt ‘m toch niet’. Is het dan geen grote kokeleko  om zulke preken te gaan houden? En dan zegt de Catechismus: “beslist niet!”  

Want waar is dat héél goed voor? Om naar Christus toegeduwd te worden. Elke keer als je merkt, van: ‘ja, ik heb er toch niet aan voldaan, dat vlúchten naar Christus. Naar Zijn gehoorzaamheid. Naar Zijn strafdragen. En élke keer, dat bidden om de Heilige Geest en de krachten van die Geest. 

Hoe waar het ook is, dat je dan al van tevoren weet dat je dat morgen weer moet doen. Maar dat is nu net het bijzondere: deze God wil zo verschrikkelijk graag gebeden zijn. 

Bevrijd door de Heere Christus. En dat mag elke gelovige zeggen. En als u niet gelooft, hebt u dus een probleem. Maar elke gelovige mag dat zeggen: ‘bevrijd door Christus, klinkt hier nu de opdracht om de heilige Naam van de HEERE, Die mijn God is, alleen met ontzag en eerbied te gebruiken’.  

En als het gaat over de Naam van God, mag u aan twee dingen denken. En dat moeten de kinderen ook even onthouden, de Naam van de HEERE, dat gaat over Zijn namen: God de Heilige, God de Eeuwige, de genadige God, of de HEERE, de Almachtige, de volkomen Wijze, de Volmaakte, dat zijn die Namen. Maar het gaat ook over wat de HEERE dóet, wat hij werkt, waar Hij mee aan de gang is.  

Eerbied en ontzag. Wij bidden: ‘jongens, eerbiedig!’. Ja, je gaat bidden. Thuis, op school, op catechisatie. Ben je dan ook echt eerbiedig? Weet je dan op datzelfde moment dat het zo bijzonder is, dat vader of moeder en misschien jij zelf ook wel, dat die gaat spreken tot de heilige, almachtige God? 

Of geef je nog gauw even je broertje een schop en trek je nog even een gek gezicht tegen je zusje? En als er dan gebeden wordt, hoor je dat wel? Of hoor je alleen maar ‘amen’? ‘Ah, amen, ‘t is weer voorbij. Mag ik eten?’  

En, vaders en moeders, en alle anderen, wat bidden wij? Is dat altijd hetzelfde? Zullen de kinderen het ook dromen kunnen? 

En wat leren de ouderen in de gemeente aan de jongeren over het gebed? Is dat alleen maar dat de dominee op de catechisatie het daarover heeft? Of is dat ook een zaak van thuis?  

Dat daar eerlijk over wordt doorgepraat? Van ‘nee, nee, de HEERE is Sinterklaas niet!’ Niet alleen maar vragen: ‘wilt U dit en wilt U dat? Wilt U zus en wilt U zo?’ En: ‘mag ik dit, mag ik dat?’. Nee, loven! danken! prijzen!  

Wij merken allemaal, dat wij niet eens in staat zijn om elke keer eerbiedig en vol ontzag te bidden. Dat is niet alleen moeilijk voor een dominee en een ouderling. Dominee, als hij catechisatie heeft, moet hij misschien wel zes keer op een avond bidden. Ga d’r maar aanstaan. Eerbied en ontzag. Ik heb wel eens oneerbiedig gezegd: ‘gooi er een kwartje in er een komt een gebed uit’. Maar dat heeft dus niks met eerbied en ontzag te maken. Hij die alle eer waard is! Onder de indruk van Hem! 

Niemand van ons komt daar werkelijk aan toe. Hoe goed wij dat ook willen. Hoe graag wij dat ook willen. Als u straks na deze eredienst thuiskomt en het is bijna etenstijd en u zegt weer vlak voor het eten: “jongens, eerbiedig”. Of je zegt het tegen jezelf, want je eet alleen: “o, nu moet ik er even heel goed met de gedachten bij zijn”.  

Je kunt erom janken, want zelfs in je bidden dan, terwijl je dat van tevoren tegen jezelf gezegd hebt, kan het zomaar zijn dat je gedachten alle kanten op vliegen.  

Ik kan op de preekstoel bidden en de tafel van 12 opzeggen. Het is absurd! Wat is het voor ons een enorme opdracht om hier dit derde Woord gehoorzaam te zijn!  

En wat van bidden geldt, geldt net zo goed van zingen. Kolossenzen 3 aan het eind, vers 16 en 17. Aan het begin de verzen 1-4, daar staat: “wij zijn gered”. Prachtig!! Vernieuwd tot het beeld van de Schepper. Om te leven in dienst van God. Om Hem te eren! Zingen!  

Zingt u, elke dag? Nee, voor sommige mensen is dat een onoplosbaar probleem. Je hebt geen stem, je kunt geen wijs houden. Ja, dan is het wachten, totdat er iemand op bezoek komt, dat je met twee man / vrouw bent.  

Maar als je met twee man of vrouw bent, als het alleen niet wil, zing dan maar eens! 

Het kan goed zijn, broeders ouderlingen, om een huisbezoek te beginnen of te eindigen, al zingend. Juist bij mensen die altijd alleen zijn, en die dus nooit in hun eigen huis samen zingen. Want God wil ook in onze huizen die eer voor Hem horen. Elke dag.  

En dan juist ook naast alle andere goede liederen en gezangen, juist ook die Psalmen. Ik heb bewust Psalm 8 laten zingen, waar ook zo’n zinnetje in staat als: “zo maakt Gij Uw vijand stil, en doet Uw haters buigen voor Uw wil.”  Ja, dat zijn woorden die je in heel veel liederen niet tegenkomt. Daarin gaat het niet over de vijanden van God. Gaat het niet over Zijn haters. Gaat het niet over de straffen van de HEERE.  

En daar hoef je niet alléén maar over te zingen. Dan ben je ook eenzijdig. Maar je mag het in elk geval niet laten liggen.  

Wat een zegen! Iemand als Luther, wat heeft die er op getamboerd! Wat was het ook voor hemzelf van oneindig belang, dat hij telkens weer kon zingen. “Want waar gezongen werd, kon de duivel niet wezen”, zei hij dan.  

Wat is het een zegen als wij van harte overtuigd, de lof van de HEERE laten klinken.  

Het is belangrijk om daarover te blijven nadenken. ‘Hoe heerlijk is Uw naam op de hele aarde’. 

Voor wat betreft de inhoud is dan altijd van belang om te kijken naar het Woord van God. Dat heeft te bepalen wat wij zingen. Héél het Psalmboek en niet een selectie.  

Oudere mensen die hebben kerkdiensten meegemaakt, en dan was het 104 kerkdiensten in een jaar – de zondagen-, en als ze daaraan terugdenken, hoe vaak werd dan niet aan het eind gezongen uit Psalm 89. Dat was een super-de-luxe tophit in die tijd. Psalm 89, zeker een prachtige Psalm. Maar het waren een páár verzen uit die Psalm, en de rest … 

Ik ben er vast van overtuigd dat wij, juist, omdat de HEERE ze ons in z’n gehéél gegeven heeft, dat wij héle Psalmen zingen. Want het zijn dan ook ‘gehelen’ om zo te zeggen.  

En daarnaast: zing goede gezangen! Wat zijn er een boel goede gezangen. Wij zijn daarin redelijk beperkt. Hebben er nu 41. Misschien kunnen er wel 20 van weg en 30 nieuwe erbij. 

En daar moet je nuchter in zijn, je hoeft niet per se Psalmen te zingen, van ik weet niet hoeveel jaar geleden. Ze zijn niet goed, omdat ze van zoveel jaar geleden zijn. Nee, ze zijn goed omdat de inhoud goed is. En zij zijn niet goed, als de inhoud niet goed is.  

Ook als het gaat om het zingen, en daarnaast het spreken over de HEERE en Zijn werken. Dan hebben wij Jezus Christus nodig. In Zijn genade, in Zijn gehoorzaamheid. En het werk van de Heilige Geest voor honderd procent. 

Maar bij het zingen is het net zo: wees eens eerlijk, als u straks nog koffie zit te drinken. Wees eens eerlijk tegenover elkaar. En laat eens aan elkaar horen, hoe vaak u gezongen hebt in de eredienst, terwijl u er niet eens bij nadacht. Nee, u zong wel, keurig! Woord voor woord. Geen woord verkeerd zelfs. Maar met het hoofd erbij? Met het hart erbij? En juist die bekenden, dat kan zo moeilijk zijn om daar, de ene keer, ja dan lukt het helemaal, maar er zijn ook zomaar situaties: zingen als een tierelier! Wat heb je eigenlijk gezongen?  

“Laat Christus’ woorden”, zegt de apostel, “laat Gods woorden in al hun rijkdom in u wonen”. Laat Hij bij u thuis zijn. Laat Hij het bepalen in uw leven. Die woorden, wat is het vanuit dit derde Woord, de eer voor de HEERE, de eer voor Zijn naam! Wat is het van belang om die woorden te lezen, te overdenken, te gebruiken, te kennen, te gehoorzamen.  

Dat is ook weer zo’n punt. Net zo moeilijk als zingen en bidden is, is wat wij noemen: lezen. ‘Jongens, nog even een stukje lezen’. Nee: ‘jongens, eerbiedig! De HEERE spreekt. Jij mag luisteren. Je moet luisteren!’ 

Als kinderen uit huis gaan en ze komen in hun uppie te staan: eigen huis, eigen kamer, dan komt het erop aan! Hoe ga je dan door? Kijk, thuis, dan zit er nog die regelmaat en die regel in. Krijg je die regel en die regelmaat ook als je úit huis bent?  

Is er sprake van dat inprenten van het Woord?  

Wees ervan overtuigd dat satan bezig is! En hij heeft het gewonnen als dat Woord bij ons uit de aandacht verdwijnt.  

Laat die woorden van God in u wonen. Dan bent u ook in staat om allerlei dwaling af te wijzen. Er is een heleboel dwaling voor wat betreft de leer van de kerk. Waarom hebben we die Catechismus? Omdat de roomse leer op heel veel punten anders was. Omdat de leer van de wederdopers, dat is ook nog de volgende ZONDAG, 37, die heeft te maken met de wederdopers, die spoorden niet met Gods Woord.  

Omdat op sommige punten de leer van de Lutheranen, ZONDAG 18, ook niet overeenkwam met wat de HEERE Zelf gezegd had.  

Dus, die Catechismus, die helpt om dwaling áán, en om dwaling áf te wijzen. En er is ook nog zoveel andere dwaling die wij moeten afwijzen. Dat heeft alles te maken met dit derde Woord: je eert de HEERE door je vast te klampen aan dat Woord. En wat daar niet mee spoort, daar van te zeggen: ‘NEE!’  

De dwaling van: ‘God werkt alleen binnen de DGK’, dat je die volstrekt aan de kant doet.  

De dwaling van: ‘liturgie mag nooit veranderen’. Weg ermee!  

De dwaling van: ‘we moeten ons wel een beetje aanpassen zo hier en daar, vooral aan de cultuur’.  

Maar aan de andere kant ook die dwaling van: ‘nee, natúúrlijk is het zo!’ En: ‘natúúrlijk … 

Het Woord leert ons denken en doordenken en nadenken en overdenken en nog veel meer denken. Blijven bij het Woord! Want de HEERE zegt het zelf: “Kennis weg, volk verloren. Kennis weg, Mijn eer niet meer te horen”.  

Dat Woord, met het oog op alles. Of je nou eet of drinkt of wat dan ook maar doet, doe het allemaal tot eer van God! Want u bént helemaal van God. En dus ook helemaal vóór Hem.  

Daarom zegt de Catechismus in deze ZONDAG ook met nadruk: “Hem naar waarheid aanroepen”. Dat is naar de waarheid van de Schrift! 

Wij horen, broeders en zusters, het derde Woord. En wie gelooft, die belijdt: “ik verdien straf vanwege mijn overtredingen. O God, wees mij zondaar genadig.” En hij / zij bidt ook: “Heilige Geest, blijf mij, blijf ons bewerken. Geef dat we steeds meer beheerst worden door Uw Woord.” Laat dat Woord rijk in ons wonen, zodat het leven er vol van is.  

Zodat u ook zeker bent van de hoop die u mag hebben. Vanwege Jezus Christus.  

Zodat we elkaar en onszelf Psalm 105 toezingen: “Looft, looft verheugd de HEER der Heeren, aanbidt Zijn naam en wilt Hem eren.”  

En het derde Woord dringt u ertoe om te zeggen: “Ja, HEERE, laat dat mijn willen en mijn doen zijn. Laat dat mijn leven steeds meer worden. En laat ik eens in de eeuwigheid bij U, werkelijk daar ook toe in staat zijn, om het te doen.” 

AMEN