Aiming to Please – Opmerkingen 4

Print Friendly, PDF & Email

OPMERKINGEN 04 n.a.v. Wes Bredenhof,

‘Aiming to Please’,

A Guide to Reformed Worship, 2020

Waarde luisteraars, even vooraf het volgende: de tekst van de woensdagavond-uitzendingen is te vinden ergens op de site van de kerk.

Dan nu ter zake. We blijven het herhalen. Ons uitgangspunt is ZONDAG 35 van de Heidelbergse Catechismus. God eist in het Tweede Woord ook ‘DAT WIJ HEM OP GEEN ANDERE MANIER VEREREN DAN HIJ IN ZIJN WOORD BEVOLEN HEEFT.’

Vanaf Hoofdstuk 4 gaat ds. Bredenhof in op de afzonderlijke onderdelen van de eredienst. De essentiële dingen. Die niet mogen missen. En ik zou dus nu aan de orde kunnen stellen het zogenaamde ‘Votum’. Maar ds. Bredenhof komt eerst nog met andere dingen.

Want – er zijn ook zaken die gedaan worden, of die gedaan kúnnen worden vóór het eigenlijke begin. Die ontmoeting die de HEERE met ons wil hebben, is voor ons, als het goed is, een zaak van eerbied en ontzag. En dat vraagt dus voorbereiding. Als we ernstige, officiële dingen gaan doen, bereiden we ons daarop voor. Neem maar de voltrekking van een huwelijk, het afleggen van een eed, e.d.  

Over die voorbereiding op de eredienst hebben we het al gehad in de eerste uitzending. Het blijft van belang om daar bij stil te staan en dan in het bijzonder ten aanzien van het gebed,  het smeken om het werk van de Heilige Geest. Het is God de Heilige Geest Die het geloof werkt en versterkt en daarvoor o.m. de erediensten gebruikt.

NIET alleen de prediking, de bediening van het Woord, maar álles van de eredienst. Wij zingen bijvoorbeeld niet alleen voor Hem, tot Zijn eer, maar ook voor elkaar, om samen te klagen en om elkaar te bemoedigen.

Dan wordt het vrijdag. En de koster wil heel graag dat de dominee de liturgie dan al heeft gestuurd. Dan kunnen in het kerkgebouw de liturgieborden klaargemaakt worden. EN, dan kan de liturgie ook op de site van de kerk. Om er van vrijdagmiddag of vrijdagavond mee aan het werk te zijn. Ook dat is al aan de orde geweest.

En dan wordt het zaterdag. De dominee legt, eerder of later (ik was in het verleden nogal eens bezig tot een uur of 01.00, 02.00 in de nacht – dat gebeurt nu niet meer), de laatste hand aan de preek, bereidt de gebeden voor. En ik slaap vaak een onrustige slaap, want morgen is het zondag.

En op de zondag, dan mag het gebeuren! De HEERE ontmoet Zijn volk! Dus is er op de morgen van de zondag het gebed of de Heere God Zijn beloften wil vervullen, kracht wil geven, inzicht, begrip, wijsheid, vrijmoedigheid enz. aan de voorganger. En alles wat jij, die door de HEERE wórdt ontmoet, nodig hebt, en wat, als die er zijn, de andere gezinsleden nodig hebben, en wat de andere gemeenteleden nodig hebben. Iedereen mag zo weer onder de indruk komen van de ernst en het geweldige en het heerlijke van de zaak.

Maar er is nog méér vóór de eigenlijke dienst begint. Eén van de ouderlingen zegt: ‘laten we bidden’. Bij een doop, als er kinderen met vader en moeder en de baby mee zijn in de kerkeraadskamer, kijken die wat verwonderd. ‘Wat gebeurt er nou?’

Het zgn. consistoriegebed. Een oude, m.i. goede gewoonte. Een gebed, kort en krachtig, waarin de HEERE gevraagd wordt om een eredienst in alle rust, tot Zijn eer en tot opbouw van de gemeente.

In tijden van oorlog of in andere moeiten, denk maar aan de tijd van de Afscheiding, met het optreden van de overheid (soldaten) als gemeenten met meer dan 20 mensen samenkwamen, heeft dat gebed een diepe ernst. Het is volgens mij goed om dat gebed ook nu te hebben. Rustige en ongestoorde erediensten zijn geen vanzelfsprekendheid, maar een geschenk van de Koning van de kerk!

Ondertussen kan het er in de kerkzaal gezellig aan toe gaan: we komen binnen en we ontmoeten elkaar, praten met elkaar. We hebben het met de één over het weer en met de ander over de gezondheid en met een derde over van alles en nog wat. En als we op onze plek zitten, draaien we soms even achterstevoren in de bank, kijken we wat rond ook. Geven een knik hier, een woord daar. Het verbonden zijn aan elkaar mogen we royaal beleven.

MAAR – hoe hebben we dan de overgang van gezelligheid naar ‘eerbied en ontzag’? Is dat: ‘o, daar zijn ze; gezicht in de plooi, het moet nú wezen.’? Of kan dat ook anders?

Het is m.i. goed om daar aandacht aan te schenken en om een wat langzame overgang te hebben. Dat kan op verschillende manieren. Ik heb jarenlang in Hardenberg en omgeving meegemaakt dat er vóór de eigenlijke eredienst aan, zo’n twee minuten van te voren, een vers van een Psalm of Gezang gezongen werd. Dat vers hield meestal verband met wat in de eredienst aan de orde kwam. 

Een nadeel hierbij kan zijn: iemand die laat in het kerkgebouw komt, stapt binnen, terwijl de gemeente met dat zingen al serieus aan het werk is. Dan zou je dus beter dat vers kunnen zingen op de tijd die als de begintijd van de dienst wordt aangegeven. Een ander nadeel: als er toch nog weer wat tijd is tussen zingen en beginnen, komt de gezelligheid  terug.

Een ander voordeel dan dat van voorbereiding op de eredienst kan zijn: je kunt ook Psalmen uit een andere berijming dan de onze (van papier af) en andere Gezangen dan de 41 laten zingen. Niet om, zoals Bredenhof m.i. terecht opmerkt, niet om independentistisch te zijn. Zo van: we hebben voor de erediensten wel ‘deze’ met elkaar afgesproken, maar we zingen nu toch ‘die’. Maar omdat er meer goede liede-ren zijn dan die 41. Die kunnen, na beoordeling door en goedkeuring van de kerkeraad, eventueel via de kerkelijke weg aanvaard worden.

Ik zelf ben voorstander van nog een andere manier om de overgang van ‘gewoon’ naar ‘eerbiedig’ duidelijk te hebben. In de CGK heb ik dat wel meegemaakt. Het orgel houdt een minuut of vier / vijf vóór de eigenlijke eredienst op met spelen. Het wordt stil. Iedereen, ook de kinderen, iedereen weet, nu is het bijna zover. Je kunt je in alle rust gaan concentreren. Voor mijzelf, als ik in de kerk mag zitten, een zegen: rust, stilte! Maar ik weet niet of dat voor iedereen zo is. Soms hebben mensen moeite met stilte. En, dat een kind toch nog een keer hardop wat zegt, dat is natuurlijk geen probleem.

Ds. Bredenhof schenkt ook nog aandacht aan iets wat de ouderen waarschijnlijk nog wel kennen. De jongeren niet, denk ik. Het zgn. ‘stille gebed’. ‘Stil’ = niet hardop, niemand kan horen, wat je zegt.

In het verleden kwam je de kerk in, vrouwen en kinderen gingen zitten, mannen bleven eerst staan, deden -als ze een pet hadden-, die voor de ogen en baden een ‘stil gebed’. Vrouwen baden, terwijl ze zaten. Wat de kinderen deden, en of die iets deden, daar heb ik geen herinnering meer aan.

Op dat moment mag je ‘stil’ bidden, geeft ds. Bredenhof aan, om Gods zegen en om kracht om op een goede manier de ontmoeting van de HEERE met ons te mogen hebben. Tussen haakjes, dat stille gebed kan m.i. goed gecombineerd worden met de opmerkingen die ik hiervoor maakte over de paar minuten stilte.

In sommige kerken blijft de kerkeraad na binnenkomen staan, de ouderlingen en diakenen in de bank, de voorganger onder aan het trapje van de preekstoel, en daar doen zij dan hun ‘stil’ gebed.

Wat ik zelf ook regelmatig heb meegemaakt: de voorganger gaat de preekstoel op, en geeft aan de gemeente, inclusief zichzelf en de kerkeraad, de gelegenheid voor ‘stil gebed’.

Bij al die zaken zijn er voors en tegens, waarom je het wél, en waarom je het níet zou moeten doen. Tégen het stil gebed wordt vooral ingebracht: bidden voor de eredienst, doe je thuis en dan hardop. Maar is het ook niet goed om het te doen, vlak voor de eredienst?

We zijn er nog niet. Vlak voor de vastgestelde begintijd van de eredienst wordt het orgel tot zwijgen gebracht. In de kerkeraadskamer wordt op een knop gedrukt, er gaat bij het orgel een lampje aan en de organist weet: ik moet er een eind aan breien. Even later: daar komen ze binnen.

In normale tijden geeft de ouderling die, zoals dat heet ‘dienst doet’, die net in de kerkeraadskamer, de consistorie, heeft gebeden en die de dienst mag overnemen als de dominee onverhoopt uitvalt, in normale tijden geeft de dienstdoende ouderling de dominee een hand. Tegenwoordig zijn die handen superschoon, dus ik begrijp werkelijk niet, waarom dat ook nu niet zou kunnen, en dat geknik vind ik niks. Maar goed, ik moet me schikken.

Over de betekenis van die handdruk is al heel wat gezegd en geschreven. Toen ik in Nederland als gemeentedominee begon, heb ik een brief gestuurd aan ds. Joh. Francke, Hoogeveen. Die man wist (bijna) alles. Ik vroeg hem naar de betekenis van de handdruk. Hij gaf als antwoord, dat je er mooie betekenissen aan kon geven, maar dat niemand met zekerheid wist wat er mee bedoeld werd en waar die handdruk vandaan kwam.

Ook ds. Bredenhof schrijft over die handdruk: vaak wordt verondersteld (er is dus geen zekerheid) dat het afkomstig is uit de tijd van de Reformatie. Men zou niet altijd de voorganger gekend hebben, en die handdruk zou laten zien, dat de kerkeraad de man als een wettige dienaar van het Woord erkende.

Hij haalt aan wat Deddens en Van Rongen er over schrijven. Zij stellen: zo wordt publiek duidelijk gemaakt, dat de voorganger handelt op aanwijzing van de kerkeraad. Deddens vindt het bepaald geen overbodige actie. Met de handdruk krijgt de liturg het recht van de kerkeraad om zijn werk te gaan doen.

Ds. Bredenhof komt tot de conclusie, en daarin val ik hem graag bij, ‘het is liturgisch gezien een middelmatige’,en ik zeg: ‘een onbelangrijke zaak.’ De kerkeraad van de (al lang opgeheven) gemeente in Schouwerzijl liet dat in de jaren vijftig / zestig van de vorige eeuw ook merken, want daar kreeg de ‘eigen’ dominee geen hand. Iedereen weet immers dat hij de wettige VDm is. Maar dat geldt volgens mij ook van gastpredikanten.

Sommige ouderlingen fluisteren bij die handdruk nog iets van: ‘sterkte’, of ‘de zegen’. Alles kan, alles is goed. Ook als men als enige opmerking na afloop heeft -het is mij vaak overkomen-, ‘wat hebt u koude handen, dominee.’

Voor het echte begin van de eredienst is er dus al een heleboel aan de orde (geweest).

Dan nu, ter afsluiting vanavond, wat is het eigenlijke begin van de eredienst?

Iedereen die op de catechisatie de Repetitiejaargang van ‘De Weg’ heeft gehad, en iedereen die gereformeerd is grootgebracht, leerde dat je de eredienst mag noemen: het verbondsgesprek / verbondscontact van de HEERE met Zijn volk. De HEERE spreekt ons aan en wij mogen op Hem reageren. Het gaat ‘over en weer’, van de ÉÉN met hoofdletters, naar de anderen, met kleine letters. Zie het schema.

Maar, vanaf het begin dat ik over de liturgie catechisatie gaf, heb ik aan zitten hikken tegen het wonderlijke, m.i. onjuiste, niet goede begin. Wij zéggen, in overeenstemming met de gereformeerde leer, dat de HEERE het initiatief heeft. Hoe kan het dan, dat in de eredienst wíj beginnen? Wíj voeren NOTABENE als eersten het woord met te belijden, dat ‘onze hulp is in de Naam van de HEERE’?

De formulering die ik meestal gebruik: ‘laten we ons concentreren, verheft uw harten tot God’, klinkt misschien wel ernstig, maar is ook geen oproep die de HEERE in Zijn Woord doet.

Blij verrast, diep dankbaar en met grote instemming lees ik dan in het boek van ds. Bredenhof: laat de HEERE ook echt en werkelijk de Eerste zijn, en begin de eredienst niet met ons votum, onze belijdenis, maar met een kort passend gedeelte uit Zijn Woord, waarin Hij Zijn volk oproept, om in Zijn aanwezigheid Hem te eren. Een ‘call to worship’, een oproep, een bevel, een aansporing om Hem te eren en te dienen.

In de eerste Bijlage in z’n boek geeft Bredenhof een serie teksten die volgens hem daarvoor geschikt zijn: PSALM 84:1-2; 122:1-2; en als voorbeeld noem ik dan 95:6-7 “Kom, laten wij ons neerbuigen en neerbukken, laten wij knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God en wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand.”; 96:7-9; 66:1-4; Jesaja 58:13-14 en Habakuk 2:19-20 uit het Oude Testament. En Romeinen 11:33-36; Mattheüs 11:28-30; Hebreeën 10:24-25; 12:28-29; en ook hier een voorbeeld, namelijk Efeze 3:20-21 “Hem nu Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken, overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is, Hemrlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. Amen.” en Openbaring 5:11-12 uit het Nieuwe Testament.

Dus, zo concludeer ik, om nog meer gemeente te worden die de HEERE wil dienen, zoals Hij ons in Zijn Woord geboden heeft, lijkt het mij goed, dat gemeenteleden en kerkeraad zich gaan buigen over deze, wat ik noem: ‘verbetering’ van de liturgie.