Aiming to Please – Opmerkingen 12

Print Friendly, PDF & Email

In de liturgie die zowel de voorkeur van Bredenhof, als die van mij heeft, zijn we nu toegekomen aan de collecte. Ook wel de ‘dienst van de offeranden’ genoemd. Die laatste benaming heeft, ondanks de ouderwetse taal, mijn voorkeur. Voor allerlei collecten wordt er aan de voordeur gebeld. Maar de dienst van de offeranden is uniek. Want een offerande, of een offer, is iets wat je thuis aan God toewijdt en in de eredienst aan Hem geeft.

Die dienst is als een onderdeel van de eredienst is moeilijk en mooi. Dat moeilijke komt straks. Het mooie eerst. En dat is dat iedereen die in staat is een munt, een geldstuk vast te houden, actief aan die dienst mee kan doen. Het kleine kind, iemand die doof of blind is, iemand met andere beperkingen, ook voor hen allemaal is er de gelegenheid aan deze dienst mee te doen. Je moet, dat zeg ik Bredenhof van harte na, en ik formuleer even op de ‘gewone’ manier, je moet over de collecte dus nooit te min denken!

Een kijkje in de geschiedenis leert ons, dat dit geven van onze gaven niet altijd werd gezien als onmisbaar in de eredienst. Martin Bucer was wel van oordeel dat het één van de vier wezenlijke onderdelen was. Calvijn heeft het offeren in de eredienst ook wel eens niet genoemd. Maar in de ‘Institutie’ verwijst hij naar Handelingen 2:42 en noemt dan als vaste regel voor het bijeenkomen van de gemeente, als de kern van de eredienst, vier zaken die er moeten zijn: 1. het Woord, inclusief de verkondiging, 2. de gebeden, 3. de viering van het avondmaal én 4. het geven van de gaven voor de armen. Maar tot collecteren tijdens de eredienst kwam het in die tijd nog niet in Straatsburg en Genève.

Dat gebeurde wel in Heidelberg. In de Kerkorde van 1563 daar werd de collecte tijdens de eredienst voorgeschreven. En in de Heidelbergse Catechismus uit dat zelfde jaar staat in ZONDAG 38: ‘de armen christelijke barmhartigheid bewijzen’. Of, oudere taal: ‘den armen christelijke handreiking doen’. Moderner: ‘er moet geld ingezameld worden om arme mensen te helpen’.

In de eeuwen erna bleef de praktijk erg verschillend. Tot vandaag zijn er veel Presbyteriaanse kerken die geen ‘collecte’ hebben. Wel een doos of een kistje bij de ingang, waar je voor of na de eredienst je gaven in kunt doen.

Maar – de Bijbel is volstrekt duidelijk op het punt van het geven van gaven voor de armen. Ds. Bredenhof noemt een paar teksten. Eerst uit het Oude Testament 1 Kronieken 16:29, “Geef de HEERE de eer van Zijn Naam, breng offers [of: offeranden, mag je ook zeggen] en kom voor Zijn aangezicht. …” En in Deuteronomium 16:16-17 beveelt de HEERE: “Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk is onder u verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen … Men mag echter niet met lege handen voor het aangezicht van de HEERE verschijnen.”

Dan uit het Nieuwe Testament 1 Korinthe 16:1-2, “Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, moet u het net zo doen als ik het aan de gemeenten in Galatië opgedragen heb: Op elke eerste dag van de week moet ieder van u bij zichzelf iets opzijleggen om op te sparen wat in zijn vermogen is, opdat de inzamelingen niet pas dan gehouden worden, wanneer ik gekomen ben.”

Je kunt ook alle teksten in Oude en Nieuwe Testament die gaan over het omgaan met weduwe, wees en vreemdeling hierbij noemen. Al die teksten hebben te maken met zorg voor hen die het nodige missen.

Op grond van die gegevens uit de Schrift, als voorschrift van de HEERE Zelf dus, hebben al de kerken, afkomstig uit de Grote Reformatie, op de één of andere manier iets van een ‘dienst van de offeranden’.

Wanneer je over de genoemde teksten nog verder nadenkt, kun je niet anders dan concluderen, dat deze ‘dienst’ echt een onderdeel van de eredienst moet zijn. De offers in het Oude Testament werden gebracht aan de HEERE, in / bij Zijn tabernakel of tempel. Vaak waren het dankoffers, want danken is een verplichting in het leven met de HEERE. Toen werden ze gebracht in de eredienst, dat zal dus nu ook zo zijn.

Als Paulus aan de gemeente in Korinte schrijft over de collecte, heeft hij het over de samenkomsten op de dag van de Heere. Dat sluit aan bij de manier van doen in de synagoge. Daar kende men al mensen die verantwoordelijk zijn voor het bij elkaar halen van gaven. En volgens Justinus Martyr (100-165 p.n.), in de tweede eeuw na Christus, was de dienst van de offerande een onderdeel van de eredienst. Je mag concluderen dat Paulus in de brief aan de gemeente in Korinthe het heeft over een gebruik dat bekend was en dat men al in praktijk bracht.

Als uiting van dankbaarheid past de collecte het best ná de verkondiging. Die dienst van de offerande is het enige in de eredienst dat gewoonlijk zonder woorden plaatsvindt. Wel is het mogelijk om in verband met de collecte iets te zeggen of te zingen. Ter wille van onze concentratie op dat offeren aan de HEERE van iets dat Hij eerst aan ons gegeven heeft, kan dat goed zijn.

Ds. Bredenhof zegt het niet met zoveel woorden, maar die dienst van de offeranden is en blijft, volgens mij, een moeilijk, misschien wel erg moeilijk onderdeel van de eredienst. Het kan daarom zo nu en dan goed zijn om de collecte in te leiden met een Bijbelvers. Bredenhof zelf noemt: Handelingen 20:35b, de Heere Jezus heeft gezegd: “het is zaliger te geven dan te ontvangen.”. Verder 2 Korinthe 9:6-7; Deuteronomium 16:17; Galaten 6:10; Spreuken 3:9.

Je zou volgens hem ook kunnen zingen, en dan noemt hij berijmde verzen uit Psalm 21; 72; 82; 102; 112; 113 en 140. Ik weet niet welke verzen dat zijn in ons Kerkboek, omdat ik het Psalmboek niet ken dat in Australië gebruikt wordt. Ik heb zelf wel opgegeven Psalm 66:5 met de woorden: Ik kom met gaven in mijn handen. Zie tot Uw tempel treedt Uw knecht en brengt U, Heer, de offeranden, U in benauwdheid toegezegd.”

Volgens ds. Bredewold is de collectezak een typisch iets dat alleen maar gebruikt wordt in reformatorische kerken van Nederlandse komaf. En indertijd in Heidelberg. Meestal zwart van kleur. In andere kerken gebruikte en gebruikt men een schaal o.i.d. Maar die collectezak spoort goed met het woord van de Heere Jezus in Mattheüs 6:1-4,laat je linkerhand niet weten, wat je rechter doet …, geef in het verborgene’.

Het is de vraag, hoe lang er nog gecollecteerd kan worden op de manier waar wij aan gewend zijn. Het contante geld is bezig te verdwijnen. Andere mogelijkheden zijn al in gebruik. Er zijn de zgn. kerkmunten – zonder waarde buiten de kerk. Al betaald en dan daarna nog gegeven. Er zijn apps waarmee je met je mobieltje kunt geven. Zou het niet nodig zijn om over de toekomst van de dienst van de offerande kerk-breed nu al na te denken?

NB. Ook in deze coronatijd kan er heel goed ín de eredienst gecollecteerd worden. Ik vind het niet te begrijpen, dat, zo lijkt het, zo makkelijk de collecte aan de kant is gedaan. Dat komt m.i. niet overeen met wat we belijden in ZONDAG 38 HC. Waarom niet weer dat ‘hengelen’? De collectezak aan een lange stok, zoals in veel gemeenten vroeger ook gebruikt? En sowieso, als iedereen schone handen heeft, waarom zou je dan de collectezak niet door kunnen geven? En als er toch anderhalve meter tussen de rijen is, dan heeft de diaken genoeg ruimte om iedereen de collectezak voor te houden.

Wat betreft de praktijk van de dienst van de offerande is ds. Bredenhof nogal kritisch. Zijn terechte uitgangspunt is: het moet er om gaan dat deze dienst geen leeg ritueel mag zijn, waaraan we geen enkele gedachte wijden.

En dat kan het toch maar zo zijn of worden. Wie denkt, behalve bij een bijzondere, speciaal aangekondigde collecte, na over ‘de dienst van de offeranden’? Hoe vaak heb je er geen idee van, waar het voor bestemd is? Hoe makkelijk neem je niet, zondag aan zondag, hetzelfde munt- of papiergeld mee? Hoe vlot wordt de collecte niet een pauze in de eredienst, met zelfs tijd voor even een praatje. Ds. Bredenhof verbindt dat nonchalante met Mattheüs 15:8 – ‘dit volk eert Mij met hun geld, maar hun hart is ver van Mij …’.

Daar tegenover benadrukt hij dat ook die dienst van de offerande een onderdeel hoort te zijn van het eren van onze God! Een bewijs van onze dankbaarheid voor Zijn genadegaven!

Verder nadenken en doordenken over de manier waarop de kerkganger méér betrokken is bij deze dienst, lijkt mij noodzakelijk.

Ds. Bredenhof schenkt tenslotte aandacht aan het verschil tussen de dienst van de offeranden en de VVB. Ik wijs daarbij weer op ZONDAG 38. De collecte tijdens de eredienst is bedoeld en bestemd voor mensen die hulp nodig hebben en voor andere zaken waarin de gemeente de barmhartigheid van Christus kan laten merken met geld. Zie 1 Korinthe 11 over de zgn. liefdemaaltijden. Die collecte is NIET voor andere zaken: kerkgebouw, traktement, gas, licht en water, enz. Nee, de diaken is degene die hier nadrukkelijk voor het voetlicht komt! Wanneer er niet voor de christelijke handreiking aan de armen wordt gecollecteerd, mist er een wezenlijk onderdeel van de eredienst!

Op dit punt valt er nog heel wat te reformeren! Elke eredienst hoort aandacht te hebben aan de uitwerking van Galaten 6:10, “Laten wij dus, terwijl wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof.”

Wanneer de dienst van de offeranden niet zondag aan zondag  in praktijk wordt gebracht, bijvoorbeeld met het argument: ‘de diaconie heeft geld genoeg’, of zelfs: ‘de kas van de diakenen stroomt over’, dan moeten we over dit onderdeel van de eredienst nog eens goed gaan nadenken. We moeten in elk geval niet ophouden met collecteren voor ‘de diaconie’, zoals wij dat noemen. Maar de diakenen en achter hen aan de gemeenteleden moeten helder voor de bril krijgen, dat diaconaal geld besteed, uitgegeven moet worden. En als dat bínnen de gemeente niet op een goede manier kan, omdat iedereen zich financieel kan redden, dan moeten we op grond van Galaten 6:10 beseffen dat er zoveel nood in de wereld is, dat diaconale geldbesteding werkelijk geen enkel probleem hoeft te zijn. De gemeenten van Christus, erfgenamen van alles, mogen heel royaal geven!

Net zo min als het kerklid alleen maar geeft aan kerk-gebonden doelen, en die hebben wij op diaconaal gebied m.i. niet eens, net zo min als het kerklid alleen maar ‘kerk-gebonden’ geeft, dat hoop ik tenminste van harte, hoeft de diaconie dat te doen.

Ik wil hierover nog een paar opmerkingen maken. Dankbaar voor het boekje van prof. dr. C. van Dam van de Canadese kerken over ‘de diaken’, ‘The Deacon’.

De taak van de diakenen, zie de Kerkorde, artikel 22, heeft zich (in het bijzonder) te richten op de eigen gemeente. Vgl. ook Handelingen 6:1-6. De algemene opdrachten in Gods Woord over het verlenen van hulp zijn gericht aan de leden van Christus’ gemeente onderling: ‘help elkaar’. Dat was in die tijd geen overbodige luxe. Sociale voorzieningen waren er niet en christenen stonden deels ‘buiten de samenleving’, ze hoorden er niet echt bij; maar ze hadden wel elkaar en hadden voor elkaar klaar te staan. Over opdrachten aan de diakenen lezen wij weinig.

MAAR, laten er vanuit bovenstaande geen onjuiste tegenstellingen worden gemaakt. Want gemeenteleden die merken dat zij in hun eentje niet in staat zijn om te voldoen aan een bepaalde hulpvraag, mogen de diakenen verzoeken hen in hun diaconaal bezig zijn bij te staan.

En diakenen die merken dat zij niet in staat zijn om te voldoen aan een bepaalde hulpvraag, mogen de gemeenteleden verzoeken hen in hun diaconale werk bij te staan.

Juist het diaconale werk is m.i. een zaak van samenwerking: diaken(en) en gemeentelid / gemeenteleden; gemeentelid / gemeenteleden en diaken(en). Zowel binnen als buiten het ambt mag en moet diaconaal gewerkt worden.

Dat diaconale werken gaat m.i. veel verder dan alléén binnen de eigen gemeente. Zie Galaten 6:10, ‘goeddoen aan ALLEN’. Zie in het Oude Testament allerlei teksten t.a.v. de vreemdeling (bijv. Deuteronomium 10:18; 14:29; 24:19-21; e.a.p.) en de bijwoner. Het liefhebben van de naaste (= iedereen van welk volk, stam, taal, ras dan ook die wij ontmoeten) is een eis van de HEERE, Leviticus 19:18. Lees in het Nieuwe Testament over het handelen van de Heere Jezus, Mattheüs 8:5-13; 15:21-28; Lukas 10:25-37; 17:11-19; Johannes 4. Zie ook Lukas 6:36; 1 Petrus 2:12-13 e.a.p.

Wanneer in Galaten 6:10 de gemeenteleden door de Heere Christus via Zijn apostel Paulus worden opgeroepen goed te doen aan ALLEN, dan zijn de diakenen geroepen om dat goeddoen te activeren, te stimuleren, te organiseren e.d.

De conclusie lijkt mij daarom onontkoombaar, dat diakenen gelden mogen / moeten inzamelen voor doelen die buiten de eigen gemeente liggen. Ook al houdt de eigen gemeente altijd prioriteit.

Het verdient daarbij m.i. de voorkeur om de collecteopbrengst te doen toekomen aan organisaties met (enigszins) Bijbelse uitgangspunten en doelen. Ik denk daarbij aan bijzondere collecten voor zgn. noodhulp, maar ook aan regelmatig collecteren voor organisaties als ZOA, TEAR, Woord en Daad, De Hoop, MAF, e.a. Zulks ook ter onderwijzing van de gemeente en speciaal de jongeren van de gemeente. Er zijn allerlei organisaties die goed doen in situaties en op een manier waar een DGK-gemeente alleen en waar het DGK-kerkverband niet toe in staat is.

Omdat wij in de gebeden in de eredienst ook breder bidden dan voor de eigen gemeente(leden) alleen, nl. ook voor de nood van de christenheid en voor de nood van de wereld, zie ik het als een opdracht en een gave dat een door de HEERE van rijkdom voorziene gemeente ook iets mag doen aan de leniging van nood in die wereld buiten de eigen gemeente. Juist in de combinatie met het bidden voor een zgn. ‘niet-DGK-doel’, lijkt mij de inzameling van de gaven ín de eredienst voor zulk een ‘niet-DGK-doel’, een goede en aanbevelenswaardige zaak.