Preek 1 Timotheüs 2:11-15

Print Friendly, PDF & Email

Preek 1 Timotheüs 2:11-15
Door Ds. MA Sneep, gehouden te Bedum, 06.09.2020

Liturgie

  • Psalm 95:1
  • Psalm 105:20, 21
  • Schriftlezing
    • Genesis 2:4-8
    • Genesis 2:18-25
    • Genesis 3:1-6
    • Genesis 3:16
    • 1 Timotheüs 2:1-10
  • Psalm 100:1, 2
  • Tekst
    • 1 Timotheüs 2:11-15
  • Psalm 128: 1, 2, 3
  • Gezang 31: 1, 2, 3

Preek

Geliefde gemeente van onze Heere Jezus Christus, 

In 2020 heeft de synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt unaniem de besluiten van de voorgaande synode van Meppel bevestigd, om vrouwen toe te laten tot de ambten. Velen van ons zullen het, naar ik aanneem, met de nodige aandacht gevolgd hebben. Velen van ons hebben zich al langer geleden of juist ook in de afgelopen jaren ingezet om de manier van omgang met de Bijbel, die ook aan deze besluiten ten grondslag liggen, om daar tegenin te gaan. En dan blijft het verdriet, als telkens weer blijkt, dat er anders wordt besloten.  

Als onderbouwing van het afgelopen synodebesluit in de Gkv, bij de besluitvorming, daar diende een rapport, en dat heette ‘elkaar van harte dienen’. In dat rapport werd ook aandacht besteed aan de tekst uit 1 Timotheüs 2 waar wij vanochtend bij stilstaan. 

Waarom kennen wij eigenlijk geen vrouwelijke ambtsdragers?  

Gemeente, als die vraag op je afkomt, dan kun je niet alleen maar volstaan door te zeggen, ‘ja, dat hebben we altijd zo gedaan, en dan zal het wel goed wezen’. Dat gaat niet. Nee, dan moet je weten wat de Heere daarover zegt in Zijn Woord, juist in onze tijd. Je moet het kunnen onderbouwen, wáárom de Heere aan mannen en vrouwen in de gemeente’, afzonderlijke taken heeft gegeven. Je moet vanuit de Bijbel kunnen onderbouwen waarom vrouwen niet geroepen zijn tot het bijzondere ambt, maar geroepen zijn tot andere taken. Dan is het belangrijk om, misschien wel juist vanochtend, daar Gods Woord bij open te doen. Zodat wij door de prediking en door het Schriftuurlijke onderwijs daarvan echt bewaard blijven bij het Woord van God. 

Daarom willen wij vanochtend horen wat de Geest van Christus ons leert, als het gaat om de inrichting en de regering van Zijn gemeente. En dat komt dan naar ons toe vanuit 1 Timotheüs 2. Vanochtend in het bijzonder dus ook over de positie, de taak van de vrouw in Zijn gemeente. En dat gaan we doen tot eer van God en tot onze zaligheid. 

Thema: De taak van de vrouw in Christus’ gemeente

  1. Wat haar taak niet is
  2. Waarom dit haar taak niet is
  3. Wat haar taak wel is

1. Wat haar taak niet is 

Geliefde gemeente, de brief van Paulus aan Timotheüs dat is in de 1e plaats een persoonlijke brief aan Timotheüs, van Paulus.  Maar daar kunnen we het natuurlijk niet toe beperken. Dat blijkt ook wel, want de apostel Paulus gaat in op heel veel zaken die er spelen in de gemeente van Efeze. 

Dus het is ook onderwijs voor de gemeente, het is ook onderwijs voor ons vandaag, het is ook in de Bijbel terecht gekomen. En er was nogal wat aan de hand hoor, in die gemeente van Efeze, daar hebben we vanochtend niet de tijd voor om bij stil te staan, dan zouden we aan de bevestiging niet toe komen. Maar er waren nog wel wat dwalingen in die gemeente. Daar was nog wel wat aan de hand.  

Het eerste waar Paulus onderwijs over gaat geven, dat zijn de publieke erediensten. De apostel die noemt dat ook in vers 8, dat Paulus zegt van; ik wil dat de mannen op alle plaatsen bidden. En dat moet dan op een eerbiedige manier gebeuren, met opheffing van heilige handen en dat moet ook zonder ruzie gebeuren.  

Paulus geeft dus onderwijs over de publieke erediensten. Hij begint in het begin van hoofdstuk 2 met de voorbede in de erediensten. In het bijzonder voor de overheden. Maar niet alleen voor de overheid. Voor alle mensen moet er voorbede gedaan worden. En binnen het onderwijs over de erediensten komt ook de taak van de vrouw aan de orde. Allereerst hoe een vrouw zich moet kleden als ze in de publieke erediensten komt. We hebben dat gelezen in vers 9 en 10, dat laten we voor vanochtend liggen. 

We gaan nu verder naar vers 11, want vanaf vers 11 lezen wij over de plaats, de taak en de daarbij passende houding van vrouwen als het gaat om onderwijs en gezag ten opzichte van de man, in de erediensten.  

Wat was de aanleiding voor dit onderwijs? Dat is eigenlijk niet bekend. Ja, daar waren heel veel misstanden en dwalingen in de gemeente, in elk geval de dwaling van Hymeneüs en Filetus. Die gingen daar tekeer in de kerk.  

Er waren er die beweerden dat de opstanding van de doden al had plaatsgevonden. Weer anderen in de gemeente hielden zich bezig met eindeloze discussies over geslachtsregisters, over de betekenis daarvan. Er was dus voldoende aan de hand.  

Nu zijn er, -ook huidige exegeten-, die bij de uitleg van onze tekstwoorden beweren dat Paulus juist vrouwen vermaant zich stil te houden, omdat zij bepaalde van deze dwalingen zouden hebben onderwijzen. Of dat vrouwen zich op een heel onchristelijke manier in de gemeente opstelden door onder andere de mannen op een verkeerde manier te domineren.  

Maar gemeente, daarover lezen we niets terug in de 1e twee brieven van Paulus aan Timotheüs. Wel kunnen we uit het vervolg van de brief opmaken, dat ook vrouwen in de gemeente wel degelijk beïnvloed werden door bepaalde dwalingen, en daardoor zelfs ook op een bepaald dwaalspoor terecht waren gekomen. U kunt dat lezen in hoofdstuk 5. 

Maar nogmaals, over de aanleiding waarom Paulus nu dit onderwijs geeft, over de taak van vrouwen in de erediensten, is niets bekend. Wat schrijft de apostel dan wel: 

Een vrouw moet zich laten onderwijzen in stilheid, in alle onderdanigheidwant ik sta niet toe dat een vrouw onderwijst geeft en ook niet dat zij de man overheerst. Maar ik wil dat zij zich stilhoudt.  

De nadruk wordt hier gelegd op de vrouw in z’n algemeenheid. Een vrouw, wie ook maar, moet zich in de erediensten laten onderwijzen in stilheid, in alle onderdanigheid.   

Met stilheid wordt hier bedoelt, met een stille geest. Ootmoedig, in alle rust, in gehoorzaamheid, in onderworpenheid, aan het gezag waarmee het onderwijs tot haar komt.  

Een vrouw mag niet overheersen, zo vertaald de HSV. De NBG ’51 vertaald dat anders, die heeft het over ‘gezag uitoefenen’. M.i. is dat een betere vertaling: gezag uitoefenen.  

Overheersen daar zit een wat negatieve klank in. Maar in deze context is het veel beter om het te vertalen met een veel positievere klank, dus met ‘gezag uitoefenen’. Met gezag spreken, met een bepaalde autoriteit spreken.  

Waarom is dit beter gemeente, om dit positief de duiden? En dan bedoel ik dat de vrouw geen onderwijs geeft. En dat zij ook niet met gezag spreekt. Dat is omdat uit de tekst zelf niet blijkt dat het hier zou gaan om een bepaalde dwaalleer bijvoorbeeld, die een vrouw niet mag onderwijzen. Dan zou het onderwijzen een heel negatieve lading hebben. Een vrouw mag geen dwaalleer onderwijzen.  

Maar dat staat er niet. Er staat: een vrouw mag niet onderwijzen. Ze mag niet leren, in z’n algemeenheid niet. Mag de vrouw dan helemaal geen onderwijs geven? Jawel, dat mag zeker wel, dat kunnen we namelijk ook opmaken uit de brief van Paulus aan Timotheüs. 

Paulus zelf schrijft het ook, Timotheüs, je bent van jongsafaan onderwezen door je moeder en oma. En verderop in de brief worden oudere vrouwen in de gemeente, opgeroepen om de jongere vrouwen te leren. Daar wordt dan hetzelfde woord gebruikt als in vers 12: ‘onderwijzen’. Dus oudere vrouwen in de gemeente: verzaak uw taak niet. U heeft een belangrijke taak om de jongere vrouwen in de gemeente te onderwijzen. Maar vrouwen mogen dus niet in de publieke erediensten met gezag onderwijzen. Die taak komt hen níet toe.  

En de apostel die bindt het ons ook op het hart. Ik sta het niet toe!   

Maar gemeente, is dat nou een verbod, dat alleen specifiek voor die gemeente in Efeze gold? Dat Paulus bedoelt: ik sta het jullie in Efeze niet toe. Dat je dit verbod moet beperken tot een bepaalde situatie die daar toen in Efeze was, op basis waarvan Paulus dit verbod aan hen geeft?  

Gemeente, ik heb de beperking niet kunnen vinden in de tekst, en u waarschijnlijk ook niet. Er wordt geen beperking opgelegd, niet hier in de tekst, niet hier in de brief.  Paulus zegt ook niet, ik sta het u op dit moment niet toe, misschien over een jaar wel, als het beter gaat in de gemeente, of als die dwaalleraars, die vrouwen er niet meer zijn, dan sta ik het wel weer toe.  

Nee, ik sta het u niet toe. 

Een soort gelijk verbod vinden we ook aan de gemeente van Korinthe. Als het gaat om het beoordelen van de profetieën in de erediensten, dan geeft Paulus ook een verbod. Op basis daarvan kunnen wij dus concluderen dat het niet alleen de gemeente in Efeze betreft, maar dat het onderwijs van Paulus ook elders geldt.  

Maar gemeente, waarom staat de apostel Paulus dit nu niet toe? Om dat te begrijpen is het belangrijk om te lezen wat er staat. Wat is de motivatie nu op basis waarvan Paulus het onderwijzen en gezag uitoefenen voor vrouwen verbiedt?  

Voordat we gaan lezen wat er staat moeten we eerste even benoemen wat er niet staat. Paulus schrijft niet: ik sta het niet toe, omdat jullie vrouwen een bepaalde dwaling vertellen, of, ik sta het niet toe omdat jullie met een verkeerde houding onderwijs geven. Ik sta het niet toe omdat jullie je beroepen op een bepaalde dwaling, en je daarbij ook beroept op Eva 

Dat is het allemaal niet. Niets daarvan lezen we. Gemeente, ik sta hier even wat langer bij stil, waarom? Omdat wij hier iets aanraken van het kernprobleem met de huidige veelvoorkomende exegese van 1 Timotheüs 2. Op basis waarvan men nu in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt komt tot de conclusie, dat 1 Timotheüs 2 iets anders leert dan dat er daadwerkelijk staat. En zo ruimte zoekt om te komen tot de vrouw in het bijzonder ambt. Namelijk dat er aannames gedaan worden, dat er veronderstellingen gemaakt worden, die hoogst onzeker zijn. Terwijl deze veronderstellingen niet vanuit de Bijbel zelf opkomen of bevestigd worden. Maar die vervolgens wel een heel belangrijke plaats krijgen in de uitleg van, in dit geval, 1 Timotheüs 2.  

Maar dat is een verkeerde omgang met de Bijbel, want dan laat je de Schrift niet meer voor zichzelf spreken, en dan besef je niet voldoende dat de Schrift haar eigen uitlegster is. Dan ga je er allemaal veronderstellingen bij halen. Die vrouwen zullen wel zus, zullen wel zo. Het staat er niet! De Schrift komt met Zijn eigen gezag tot ons.  

Wat staat er dan wel? Wat is dan wel de reden, die Paulus geeft, waarom een vrouw geen onderwijs mag geven en geen gezag mag uitoefenen, in de eredienst, over de man?  

Paulus, -we hebben het vlak voor onze tekstverzen gelezen- Paulus is aangesteld als prediker én apostel. Hij schrijft dus met het van de Heere Jezus Christus ontvangen apostolisch gezag: Ik sta het een vrouw niet toe om dat te doen. Waarom niet? Omdat de Heere in de schepping een bepaalde ordening heeft gelegd. En daarin voor de mannen en vrouwen een afzonderlijke plaats heeft bedacht.  

Dat brengt ons bij het tweede. 

2. Waarom dit haar taak niet is  

Waarom is het haar taak niet om te onderwijzen en gezag uit te oefenen over de man? Wat is de motivatie? 

Paulus die motiveert dit verbod vanuit de schepping. Want Adam is eerst gemaakt en daarna Eva. En voor gemaakt gemeente, staat hier een woord in de grondtekst wat je in de Septuaginta, de griekse vertaling van het Oude Testament ook terug vindt. Namelijk het woord ‘vormen’. Daarom hebben we ook Genesis 2 gelezen. Want daar slaat het op terug. 

God heeft de mens gevormd. Zó heeft God het bedacht, Adam en Eva zijn door de HEERE gevormd naar Zijn beeld. Hij heeft ze uniek geschapen, Hij heeft hen afzonderlijke taken toebedeeld, Hij heeft hen in een bepaalde positie t.o.v. elkaar geschapen; de man als hoofd, en de vrouw als helper, tégenover de man. Geen slaafje van de man. Maar een hulp tegenover de man! 

Gelijkwaardig aan elkaar, maar niet gelijk. De man die op het gezag van God, gezag uitoefent over zijn vrouw. Adam eerst geschapen, niet andersom.  

En deze gezagsverhouding, die God heeft geschapen, heeft bedacht, als Schepper, als de Almachtige. Deze gezagsverhouding die Hij heeft geschapen vóór de zondeval, wil Hij ook terugzien in Zijn gemeente.  Ook daar moet het zijn zoals God het bedoeld heeft in zijn goede schepping. 

Dit alles gemeente, laten we dat vooropstellen, betekent niet dat een vrouw minderwaardig is ten opzichte van een man. Vrouwen onthoudt het goed! En vooral ook mannen, onthoudt dat! Niet minderwaardig. Die gevoelswaarde kan dit alles weleens bij ons oproepen. Dat is niet juist. Er wordt bijvoorbeeld ook, -om het even te illustreren, van onderworpenheid gesproken tussen God de Zoon in relatie tot God de Vader. U kunt dat vinden in 1 Korinthe 15: wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn -aan God de Vader-, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem, Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn. Ik denk dat er niemand zal zijn die beweerd dat daarbij de Zoon minderwaardig is aan God de Vader. 

Laten we dat nooit vergeten, laten we ook nooit vergeten dat God het Zelf is die deze gezagsverhouding tussen man en vrouw geschapen en dus bedoeld heeft. De verhouding tussen man en vrouw waarbij zowel de man als ook de vrouw allebei het meest tot hun recht komen en beiden tot bloei komen. Tot eer van God! Dat is nu de reden gemeente, waarom het niet de taak van de vrouw is om in de erediensten met gezag te onderwijzen. 

En dan volgt in vers 14 nog een tweede argument. Niet Adam is misleidt, maar de vrouw is toen zij misleidt werd tot overtreding gekomen. 

De apostel Paulus wijst ons er hier op, dat in eerste instantie satan Eva heeft benaderd en ook heeft misleid en niet Adam. Maar let op! Toen Eva misleid werd, was Adam niet maar een eindje verderop waardoor hij het allemaal niet gezien heeft. Nee, Adam was erbij toen Eva door de satan werd benaderd. Wat heeft de satan dus gedaan? Satan is aan Adam voorbijgegaan en heeft zich tot Eva gericht. En door dat te doen miskende satan de door God geschapen verhoudingen. 

Eva nam vervolgens zonder Adam te raadplegen het initiatief. En Adam was erbij, maar die greep niet in. Die liet het begaan. En zo zien we wat er gebeurt, als de door God gegeven gezagsverhoudingen niet worden nageleefd en worden opgeheven.  

Maar wat doet de Heere dan? Direct na de zondeval, dan valt de HEERE zelf gelijk weer terug op de door Hem ingestelde ordening, door Adam aan te spreken. Door hem verantwoordelijk te stellen voor de zonde waarin de mens zich heeft gestort. 

Dat is wat er is gebeurd. Dat de apostel, als het gaat om de taak van de vrouw, hier terugvalt op de schepping vóór de zondeval. Benadrukt des te meer dat dit onderwijs ook vandaag de dag echt voor ons ook geldt, in de gemeente van de Heere Jezus.  

3. Wat haar taak wel is 

Wat is dan wel de taak van vrouwen? Dat is het derde. 

Wat is dan wel de taak van een vrouw?  Als ze nu niet met gezag in de erediensten mag onderwijzen.  

We lezen over één van die taken gemeente, in het 15e vers. Maar zij zal in de weg van het baren van kinderen zalig worden, als zij blijft in geloof, liefde en heiliging, gepaard met bezonnenheid.   

Toch wel bijzonder gemeente, dat de apostel juíst hier de taak van het krijgen van kinderen noemt. Waarom is dat bijzonder? 

Dat is bijzonder om meerdere redenen, waarom?  

Deze taak van de vrouw, -het krijgen van kinderen- dat is niet cultuurgebonden. Dat is ook niet tijdgebonden, alleen voor de gemeente in Efeze. Nee, dat is van alle plaatsen en van alle tijden toch!? Dit is een blijvend verschil. Het krijgen van kinderen is een blijvend verschil tussen mannen en vrouwen. Mannen kunnen geen kinderen baren, dat kunnen alleen vrouwen. 

Zo heeft God het geschapen en bedoeld. En door dit voorbeeld nu te gebruiken, -Paulus had ook een ander voorbeeld kunnen gebruiken-, maar door dit voorbeeld te gebruiken onderstreept de apostel, dat het verschil, het onderscheid, blijvend is. Als ergens blijkt dat mannen en vrouwen onderscheiden taken van de Heere hebben ontvangen, dan blijkt dat hier wel uit. Vrouwen hebben van God de taak gekregen om kinderen te baren. 

Dat is temeer bijzonder omdat ook deze opdracht ons terugbrengt naar de schepping. 

We hebben het gelezen in Genesis 3 vers 16. Er wordt daar tegen Eva gezegd dat zij met pijn kinderen zal baren. Dat is de vloek gemeente. Dat is de vloek die God uitspreekt tegen de vrouw. Je zult voortaan met pijn kinderen baren.  

Wat zien we nou hier in 1 Timotheüs 2, daar wordt nu opeens een hele rijke belofte ook aan verbonden. Ja, ook in Gen. werd er een belofte aan verbonden, de moederbelofte. Maar het gaat hier even om het specifieke punt, dat baren van kinderen, Genesis 3 vers 16, is een vloek. Maar hier in 1 Tim. 2 wordt het tot zegen. Er wordt een belofte aan verbonden, maar zij zal in de weg van het baren van kinderen zalig worden. Als zij blijft in geloof, liefde en heiliging gepaard met bezonnenheid.    

Die zaligheid zit daaraan vast. Want, zo heeft God dat gezegd.  

Wat een zegen!  

Wat een wonder! 

Maar wat dan als je als vrouw geen kinderen kunt krijgen, vanwege onvruchtbaarheid, of omdat je als vrouw niet getrouwd bent. Wat dan? Word je dan niet zalig? Ben je dan, ben je dan ontrouw aan je taak, als je geen kinderen ontvangt van de Heere.  

Gemeente, zo is het natuurlijk niet, vergeet dat nooit. Het gaat hier Paulus vooral, in zijn algemeenheid, om tegenover dat wat niet de taak van de vrouw is, te stellen wat wel één van de belangrijkste taken van vrouwen in z’n algemeenheid is.  

Dan kan je als vrouw die geen kinderen kan krijgen, of hebt gekregen, wel heel veel verdriet geven. Ook dat weet de Heere.  

Belangrijk vervolgens is de manier waarop de vrouwen deze taak moeten uitvoeren. Belangrijk, want anders zou je het in z’n algemeenheid van elke vrouw kunnen zeggen, gelovig of ongelovig, die kinderen heeft gekregen: o nu zal ze zalig worden, want ze heeft kinderen gebaard. Maar er komt nog wat bij. Het gaat om de houding. Dat je het als een christin doet. 

Het gaat hier dat je het doet als een gelovig kind van God. En wanneer een vrouw zo haar taak verricht. Wat zijn er dan buiten deze taak van het krijgen van kinderen mooie en belangrijke taken in de gemeente, die je als vrouw mag oppakken en kan oppakken waardoor de gemeente tot bloei komt. En waardoor God echt geëerd en geprezen wordt.  

Gemeente, wanneer je nu als vrouw, -vrouwen vanochtend hier en ook thuis-, wanneer je nu als vrouw, zoals Paulus dit beschrijft in 1 Timotheüs 2 vers 15, wanneer je nu zo je taak doet, wat je taak dan ook is. Als je het doet in geloof, en als je het doet in liefde, en als je het met de heiliging doet, en als je het doet met bezonnenheid, dan zal het zijn tot je zaligheid.  

Ook tot jullie zaligheid, vrouwen!  

Zo wil de Heere dat aan jullie geven. Zo wil de Heere mannen en vrouwen gebruiken in Zijn gemeente. Ieder met zijn of haar door God toebedeelde taak. Waarbij het bijzondere ambt is gegeven aan mannen. 

Misschien dat er vanochtend wel iemand is gemeente, of je nu man bent of vrouw, een jongen of een meisje, dat je je afvraagt: maar wát is dan mijn taak? Wat is mijn taak hier in de gemeente in (…) Ik hoop dat je die vraag stelt. Dat je niet voorbijgaat aan de taak die je misschien wel hebt, maar die je niet invult. We hebben allemaal een taak. 

Maar als je die vraag hebt, dan is dat een hele goede vraag en dan moet je hem vooral stellen. Wat is mijn taak? Allereerst aan jezelf. Wat is mijn taak? Dan moet je het bij de Heere neerleggen, in gebed: Heere, wat is mijn taak in de gemeente, waar heeft U mij toe geroepen. Heere wilt U mij de wegwijzen.  

Dan moet je er over praten met elkaar, in de gezinnen. Jullie ook jonge vrouwen! Praat erover, wat is mijn taak in de gemeente.  Praat erover thuis, vraag het vooral ook aan je diaken.  

Broeders diakenen, hier ligt echt een geweldige taak voor u. Er ligt een werkterrein braak. Genoeg te doen! Dat u als diakenen de gemeente doorgaat en vraagt aan de gezinnen die in je sectie zitten, ook aan jonge vrouwen, jonge mannen, oude vrouwen, oude mannen: Wat is jouw taak, hoe zou je jouw gaven en talenten kunnen gebruiken in de gemeente van de Heere JezusEn dat je daarin echt vooropgaat als diaken. Dat je daarin helpt, bemoedigt, dat je aanstuurt, opwekt. Dat is uw taak. 

Gemeente, wanneer we nu zo allemaal, jong en oud, in gehoorzaamheid aan de Schrift, ons zo willen inzetten voor de taken die God ons toebedeelt, die Hij heeft bedacht, zoals Hij dat wil. Dan mogen we uit de hand van de Heere, uit genade, om Christus wil, veel zegen op ons werk verwachten.  

AMEN