Preek Zondag 15

Print Friendly, PDF & Email

Preek Zondag 15
Door Ds. HG Gunnink, gehouden te Lutten, 01.11.2020 

Liturgie

  • Votum + zegengroet
  • Psalm 149:1,2,3
  • ApGelBel
  • Psalm 42:1,2,3
  • Gebed
  • Psalm 42:4,5
  • Lezen
    • Romeinen 3:21-26
  • Psalm 42:6,7
  • Lezen
    • NGB artikel 21
  • Tekst
    • Zondag 15
  • Bediening van het Woord
  • Gezang 14:1,2,3,4
  • Gebed
  • Psalm 118:10
  • Zegen

Preek

Gemeente van onze Heere, Jezus Christus,  

Iedereen hier, grote mensen, kinderen, iedereen hier weet wel wat lijden is. Pijn lijden. Als je valt bijvoorbeeld. Je valt op je knie. Dan doet dat zo verschrikkelijk zeer soms. Dan lijd je pijn. Of kiespijn, dat kan ook zo zeuren en doen. Sommige mensen hebben heel erg last van hoofdpijn. 

Verdriet hebben, dat is ook pijn lijden. Of als jij gepest wordt, of als je helemaal alleen bent, en er ellendig aan toe.   

Er zijn dus een heleboel manieren waarop mensen lijden. 

Maar als we het vanmiddag hebben over het lijden van onze Heere, Jezus Christus, dan hebben we het over iets wat eigenlijk helemaal iets anders is. Het lijden van de Heere Jezus kun je eigenlijk niet vergelijken met wat wíj aan lijden ondergaan.  

En je kunt Zijn lijden, alleen maar kennen, als je gelóóft wat de Heere God in Zijn Woord daarover zegt. Want voor wie gelóóft, is het thema van vanmiddag waar, en dat thema dat is:  

Christus droeg de vloek voor mij, en zo verdient Hij voor mij
1) de genade van God
2) de gerechtigheid bij God
3) het eeuwige leven met God

1) Dus, Christus droeg de vloek voor mij, zo verdient Hij voor mij de genade van God.  
  Denkt u nog even terug aan Romeinen 3: God rechtvaardigt, God verklaart rechtvaardig iedereen die in Jezus Christus gelooft. Iedereen! Het maakt niet meer uit of dat het nakomelingen van Abraham zijn, of andere mensen. Nee, het evangelie gaat de wereld over.  

Het is én voor de Joden, maar óók voor die mensen in Rome die nog nooit gehoord hadden van, zeg maar, Jeruzalem. Of van al die mensen uit het Oude Testament. Nee, óók voor hen. Het is het Evangelie voor iedereen die gelooft. Ook voor de Saksen hier in deze omgeving.  

En er is ook geen onderscheid wat betreft leeftijd. Het geldt jong en oud. Het geldt meisjes en jongens. Het geldt ras en kleur en noem maar op.  

Rechtvaardig verklaard. Het is goed. U bent voor de rechtbank geweest en de rechter zegt: ‘Elke eis, elke beschuldiging gaat aan de kant. Ik verklaar u rechtvaardig. Daar is geen enkele schuld bij u.’ 

Voor de rechtbank van God. Hoe komt Paulus daar nou bij? Rechtvaardig verklaard?? 

Hoe kan de Catechismus het hebben over: ons verlossen van het eeuwige oordeel?  

“Kom jij maar eens even hier”, zegt meester. “Jij hebt die fiets in het fietsenhok met opzet op de grond gegooid. En nu is die stuk, lamp eraf, kilometerteller kapot. Jij bent schuldig. Ik zal jou straf geven”. Ja, zo gaat dat. En straf geven, dat is precies het omgekeerde van: rechtvaardig verklaard worden.  

En dan in Romeinen 3, gaat het eerst over rechtvaardig verklaard, en dan daar achteraan: Iedereen heeft gezóndigd. Iedereen!  

Elk mens krijgt, vanaf Adam en Eva, het leven van God. En elk mens krijgt dat leven om God te erkennen als: ‘U bent de allerbelangrijkste in mijn leven. Het gaat om U. Het gaat erom dat ik U dien.’  

En God geeft dan aan hoe Hij dat wil … Maar er is niemand die dat doet. Er is niemand die aan Gods bedoelingen voldoet. Nee, iedereen gaat tegen God in! Dus moet er oordeel en straf komen.  

Dat kan toch niet? ‘Jij hebt die fiets kapot gemaakt!’ Maar je krijgt geen straf. Nee, ‘ga jij maar fijn spelen. Je hebt nog tien minuten op het plein. Leuk, gezellig met de rest.’  

Nee, da’s niet eerlijk!  

Maar, en je kunt pas begrijpen wat dat is: ‘rechtvaardig verklaard worden’ … (Wij zeggen ook wel eens: vrijgesproken worden. Maar dat is eigenlijk nog iets te beperkt. Dat is misschien wel makkelijk voor de kinderen om dat te gebruiken, dat mag ook wel. Als dan de vaders en moeders maar weten dat er nog meer aan zit.) Je kunt pas begrijpen wat dat is: ‘rechtvaardig verklaard worden’, als je weet van schuld! En van zonden! En zondigheid en opstand en dwars zijn!  

Maar…. gelovige misdadigers, die mogen zeggen: Chrístus droeg de vloek voor mij. Chrístus kreeg de straf die ik verdien.  

Iedereen die in God gelooft en die in Jezus Christus gelooft, die wordt als iemand zónder schuld en dus ook zónder straf, behandeld.  

En dan heb je dat grote wonder waar je nooit over uitgedacht raakt. En waar je soms wel eens in vastloopt in je denken, dat God ons door Jezus Christus verlost.  

Het gaat ook in deze ZONDAG, broeders en zusters, het gaat ook in deze ZONDAG over wat Gód doet, en wat Gód belooft.  

En dan moet je even terugdenken aan ZONDAG 14. In ZONDAG 14: God laat Jezus Christus geboren worden. Nou, dat is al dat onvoorstelbare, hoe dat gegaan is. Dat zult u vorige week gehoord hebben, dat is alleen maar werk van God. Niet iets wat mensen deden. Daar hadden ze geen enkele invloed op. God!  

En nu, ZONDAG 15, weer, Gód zorgt voor vrijspraak en redding, uit genade. Genade, genade, genade, genade, genade, genade. Straks thuis zeg je maar: genade, genade …  

Dat is het aldoor weer: wat je níet verdiend hebt! Alles wat wij zouden móeten lijden aan straf, God laat het neerkomen op Zijn eigen Zoon, de Heere Christus. Onze, of, dat mag iedereen die gelooft zeggen: mijn Redder.  

En wat je bij ZONDAG 15 dus ook hebt, broeders en zusters, dat is: kent u uzelf als één van die misdadigers?  

Niet naar buiten kijken. Misschien lopen ze daar nou net wel. Hoewel, ik weet niet hoe de criminaliteit in Lutten en omgeving is, maar niet naar buiten kijken. Maar naar jezelf.  

Kent u zichzelf als één van die mensen, ken jij jezelf als een van die kinderen, die níet beantwoordt aan de bedoeling die God met je heeft? Als iemand die weet wat God wil, en die toch, soms wil je niet, soms dan wil je echt de Heere gehoorzaam zijn, maar soms ook, dan heb je er helemaal geen belang bij. Soms dan weet je héél goed wat niet mag, en dan heb je dat zinnetje weer: Wat niet mag, da’s mooi!  

Zo zitten wij d’r vaak in.  

Geloof jij en gelooft u dat je echt de állerzwaarste straf verdíent?  

Vindt u ook, dat het met ons vaak wel meevalt? Dat wij, nou zulke slechten dat zijn wij toch niet, hè. Kom nou! Nee, dat valt een beetje mee! 

En dan je krijg je ouderlingen op bezoek. Die lezen Romeinen 3. ‘U bent een aardige misdadiger, broeder!’ Hé, wat gebeurt hier?? ‘t Valt toch aardig mee over het algemeen? En dan kom je in de kerk. En er is nog niemand die gaat staan, en zegt, nou kom eens even op dominee, want dit pik ik niet dat u dat allemaal tegen mij zegt. 

Maar bent u er écht van doordrongen, is dat uw eerlijke geloof, dat u zegt van, en dan kun je er Romeinen1 tot en met 3 helemaal op nalezen, dat u zegt van: er is voor mij maar één plek waar ik hoor. En dat is in de hel waar ik de eeuwige straf van God onderga.  

Kijk, iemand die dat erkent, die mag ook zeggen: die zwaarste straf -die wij ons niet eens kunnen voorstellen, hoe zwaar dat is-, die tóórn van God!  

Het is belangrijk, broeders en zusters, dat je dat woordje ‘toorn’ ook aan je kinderen leert. Want toorn is niet een gewoon woord. Wij zeggen vaak ‘boos’. Vader is verschrikkelijk boos. Dan zeg je niet: vader is aan het toornen. Nee, houd ‘toorn’ maar voor de Heere God.  

Want dat is dat bijzondere. Als mensen boos zijn, gebeuren er vaak een heleboel dingen die ook niet deugen. Want dan, dan slaan ze door. En dan krijgen ze een waas voor de ogen en …. – menselijke boosheid.  

Maar Gods toorn, volstrekt heilig. Dat betekent ook: precies in overeenstemming met de zonde. Daar kun je nooit kritiek op leveren!  

God toornt. En die toorn van God, die zware toorn, komt neer op Jezus Christus, voor iedereen die gelooft.  

Dát is het Evangelie. Dat is het Evangelie wat altijd weer, het is vandaag 1 november. En ik weet niet of u gisteren nog stilgestaan hebt bij 31 oktober. Want 31 oktober is Hervormingsdag.  

Als we het over deze dingen hebben, dan adviseer ik u dringend: ga eens iets lezen van Luther. En denk bijvoorbeeld aan die 95 stellingen, met stelling 62. De grootste schat van de kerk, dat is het Evangelie van Gods heerlijkheid en van Gods genade. Dat leerde Luther weer. Ja, door de Heilige Geest geleerd.  

En dat gaf hem zoveel! Omdat die angst die hij altijd had: doe ik wel genoeg? En hij moest altijd zeggen: Nee, Luther, nee, jongen, jij doet echt niet genoeg. En dan ging hij nog weer meer doen. En dan was het nog steeds niet genoeg. En hij liep er volledig in vast. Tot het moment: het Evangelie! Christus!  

Niet Luther, die het zelf bij God goed moest krijgen. Maar: genade. Hij offert zichzelf op voor ons. De Catechismus noemt dat: Hij is het enige zoenoffer. Het enige verzoenoffer. Of met andere woorden: het enige ‘goed-maak-offer’. Want dat is verzoening: het goed maken. 

Al zijn lijden, met dat -en dat gaat ook diep, broeders en zusters-, de héle tijd van Zijn leven op aarde. En, en, wanneer dat begonnen is, weet je natuurlijk ook niet. Toen de Heere Jezus zo’n Ukkie was. Toen Hij al enig besef kreeg van God, de Heilige, toen begon meteen Zijn lijden. Want om zich heen zag Hij al die mensen: Z’n vader en Z’n moeder, Jozef en Maria. En later Z’n broertjes en Z’n zusjes. En Hij zag mensen waar zoveel aan mankeerde. Ja, dat punt niet alleen, nee, die zó ingingen tegen wat God van hen wilde, en Hij leed. 

Hij leed daaronder. Telkens werd Zijn Vader beledigd.  

En het offer van Christus en Zijn gehoorzaamheid, dat bedekt al ónze schuld. En dan is er ook één punt, wat soms nog wel eens verkeerd gedacht wordt. En dat is dit, dat mensen zeggen van, waarom moest Christus lijden?  

‘Dat was hiervoor: God, Die was eigenlijk van plan om te straffen. Maar, ja, toen bracht Christus Hem op andere gedachten. Dat God dat eigenlijk toch niet zou moeten doen. U bent toornig, maar dat moet maar niet, wilt U maar genadig zijn.’ 

Dat is een echt verkeerde gedachte. Het is niet, kijk dat doen wij misschien wel eens, je hebt iemand beledigd, een raar iets gezegd, of wat anders uitgehaald, en dan ga je erheen met een cadeautje. Nou ja, dan moet het weer goed zijn. Het goed maken.  

Nee. Hoe? Dat is ZONDAG 14 weer, hoe kwam de Heere Christus hier op aarde? Hij werd door Zijn eigen Vader gestuurd. Hij kwam Zelf uit liefde. Hij liet Zichzelf om zo te zeggen Mens worden, en daar was de Heilige Geest ook volop in betrokken. Dat was dus de liefde van God vanaf het állereerste begin.  

Onverdiend! Uit louter liefde komt Christus. God wílde dat Zijn Zoon kwam, om Hem als zoenoffer te geven. En de Zoon wilde dat Zelf ook. En dan is Zijn offer de betaling van het losgeld voor schuldigen, die zichzelf in de schulden gejaagd hebben.  

Wat voor Luther helemaal nieuw was. En wat voor ons misschien een klein beetje gewoon is, maar het is iets om altijd weer vast te houden: ik hoef het zélf niet te doen! Dat kan ik ook helemaal niet. Maar dat hóeft ook niet. 

Chrístus droeg die vloek voor mij.  

En dan mag ik leven in de genade van God. Dan is het goed. Hij heeft die genade voor mij verdiend. Dat hoefde Hij niet voor Zichzelf te verdienen! De verhouding Christus – God is altijd volmaakt geweest. Daar heeft nooit iets aan gemankeerd. Hij verdiende dat voor óns!  

Laat het, broeders en zusters, voor u nooit een makkelijk zinnetje worden. Zo van, ‘ja, de Heere Jezus is voor ons aan het kruis gestorven. Ja, daar was Hij voor. Dat deed Hij. Nou mooi toch!’  

Nee, dit gaat om zulke diepte. Hier staan zulke grote woorden in de Catechismus, gebaseerd op het Woord van God. Romeinen 3. Hier gaat het over lijden, over toorn, over oordeel.  

En dat zijn woorden, kinderen moeten daarin groeien, moeten daarin leren. En langzamerhand daar steeds wat verder in komen. Maar je moet ze je eigen maken om een beetje te beseffen wat ‘genade’ is. 

Luther heeft er jaren over gedaan. Eerst de PSALMEN bestuderen. En toen begon het te komen. En uiteindelijk kwam hij bij Romeinen terecht. En toen gaf God hem die opening. 

Maar ook wij. Wij moeten blíjven zien, hoe het plan door God bedacht, ook door God is uitgevoerd. En dan zien wij op de Heere Christus. Een plan wat nooit een mens had kunnen bedenken. Dat wij door Hém in het reine komen met God. En dat daar níks, helemaal niks, van óns bij zit.  

Niet van, hoe vaak ik in de kerk kom, niet van hoeveel ik in de Bijbel lees, niet van hoeveel goeie dingen ik verder nog doe. Niks van onszelf, maar puur genade, genade, genade, genade, genade, genade, genade, genade, genade, … en zo voort. 

2) Christus droeg de vloek voor mij. Ik krijg gerechtigheid bij God. Dat is natuurlijk  
  ook best heel moeilijk gezegd, meteen weer. Wat is dat nou: ‘ik krijg gerechtigheid bij God’?  

Dat heeft ook weer te maken met dat God zegt van: ‘ja, jij bent het. Mijn kind.’ Gelovend ben je als de rank verbonden aan de wijnstok Christus. ’t Is helemaal goed. Je mag als gelovige ‘Vader’ zeggen tegen God. En dan niet in angst, omdat je zoveel dingen verkeerd gedaan hebt. Nee, omdat je weet van Zijn liefde, dankzij de Heere Christus. Zónder angst voor de toorn.  

Dat weet elk kind ook al wel, als je zonde gedaan hebt, als je stout geweest bent, dan ben je nooit echt rustig. Dan zit het niet lekker. Nee, dan denk je: wat moet Ik. En dan loop je een eindje weg, en … 

Onrust. Maar een gelovige, die ook als die heel goed weet van de zonden, maar hij vraagt om vergeving van de zonden dan kan hij rust vinden.  

Dat kan een levenslange worsteling zijn, broeders en zusters. Toen Luther tot geloof gekomen was, was het niet zo dat het ging van: ‘ik heb nu het geloof! En – van een leien dakje.’ Hij heeft altijd door, zijn hele leven lang, geworsteld. Want dan had hij het, en dan was het weer even weg. En dan vocht de duivel hem weer aan. En dan, dan had hij het weer niet, totdat hij, en dat heeft Luther dus heel veel gedaan, totdat hij weer aan het zingen ging. De Wittenbergse nachtegaal wordt Luther wel genoemd.  

Luther heeft geweldig vaak en veel gezongen. Hij kon ook prachtige gedichten maken. We doen dat nou vandaag niet, maar zing dan straks thuis maar Gezang 33 of 34. Dat Lutherlied. Door te zingen, en dan ook heel veel psalmen, geestelijke liederen, door te zingen zong hij zich boven de twijfel en de moeite uit. Want dan zong hij het Woord van God. En het Woord van God, daar was hij heilig van overtuigd, dat was waar!  

Eindeloos, een leven lang, tot aan het eind, toen had hij inderdaad de rust. Is het goed? Ja. Toen zei hij nog wel daar achteraan: “Wij zijn bedelaars”. En toen is hij gestorven.  

Wij blijven bedelaars. Dat betekent: Wij blijven altijd: ‘Heere, wij staan hier met lege handen, wilt U alstublieft …, wees ons genadig.’ 

‘Aalmoes, aalmoes!’ We kennen dat hier in Nederland niet zo met bedelaars. Moet je in andere landen komen. Als je in Jakarta bent, en je zit in de auto, dan zijn er sommige kruispunten, daar word je omringd door -ik weet niet hoeveel- van die kinderen die dan op die raampjes staan te kloppen, en de hand uitsteken om geld te krijgen.  

Nou, zo staan wij altijd bij de Heere, als het goed is. Dat is geloven. Áltijd weer bij de Heere: Wilt U toch, wees ons genadig!  

Dit wonder van die rechtvaardigverklaring die is zo bij God. En dan is de Heere, Jezus Christus, onschuldig, dat heeft Pilatus zelf gezegd. En tegelijk aan het eind zegt Pilatus ook: ik veroordeel U.  

Het is zo dubbel: ik vind geen schuld in Hem. En dan toch aan het kruis!  

Als beschuldigde móet Hij door de rechter de dood ingestuurd. Dat is dat Goddelijk moeten. Dat staat vaker in de Bijbel. Móest de Heere Christus dit niet lijden? Ja, dat móest. Dat is het plan van God. Dat is, zoals God het allemaal wil. 

Pilatus spreekt. En dan mag je zeggen: Pilatus spreekt námens God het oordeel over de Zoon van God uit. En dan is Hij de Veroordeelde. Weer in ónze plaats. Voor iedereen die gelooft in Hem. 

Wat komt het erop aan hè, dat we inderdaad geloven in Hem! En dan ben je rechtvaardig bij God!  

Menselijk denkend kom je hier nooit uit. Begrijp je d’r niks van. Maar God wil u leren: die wonderlijke ruil: onze slechtheid op Christus; Christus’ volmaaktheid voor ons.  

Christus, door God aangewezen van eeuwigheid. Híj is het. En iedereen die in Hem gelooft, hééft die gerechtigheid, ís rechtvaardig verklaard. 

3) Tenslotte: Christus droeg de vloek voor mij en zo krijg ik eeuwig leven met God. 
  Dat is Evangelie! Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven! Want de vloek is weg. Leven onder de vloek is geen leven. Dat is misschien bestaan, dan ‘ben je er’. Maar leven is altijd in verbondenheid met God. Dan is het goed. Dan is daar die rust. Dan ben je vrij, bevrijd.  

Hij hangt aan het hout. De aardse rechter is uitgepraat en geeft dan over aan God. Tussen aarde en hemel in. Gevloekt. Dat is de onoverbrugbare breuk tussen God en mij vanwege mijn opstand tegen Hem.  

Vloek, die laat Hij neerkomen op Zijn eigen Zoon.  

En denk dan maar aan het Avondmaalsformulier. Hij – wij. Hij de vloek – wij de zegen. 

En dat betekent, wat wij dan ook nog te lijden hebben in dit leven, op deze aarde, en dat kan een heleboel zijn, van pijn en ziekte tot geestelijke toestanden, wie gelóóft die mag tóch zeggen: het is goed, want er komt niets meer tussen God en mij. 

Genade! Gerechtigheid! Eeuwig leven!  

Want Christus droeg de vloek voor mij! 

AMEN